Pingo aan de Noordbroeksterweg, Slochteren

Keileem is een grondsoort die in Groningen veel voorkomt. In de voorlaatste ijstijd die 180.000 jaar geleden ten einde liep, brachten gletsjers uit Scandinavië hier stenen en leem en dat mengsel noemt men keileem. In de laatste ijstijd (70.000 tot 10.000 jaar geleden) bereikten de gletsjers Groningen niet meer, maar was het periodiek wel heel koud.

Van de permanent bevroren bodem, permafrost genoemd, ontdooide in de korte arctische zomer alleen de bovenste laag. Via scheuren in de permafrost baande water zich onder druk een weg naar boven en er vormden zich ijslenzen vlak onder het landoppervlak. De aangroeiende ijslenzen drukten de grond opzij en omhoog. De op deze wijze ontstane ijsheuvels noemen we pingo’s.

Bij afsmelting ten gevolge van het opwarmen van het klimaat, gleed de grond van deze ijsheuvels af en vormde een wal rondom de kuil die nu gevuld was met water. Deze aldus gevormde meertjes met een omringende wal noemt men pingo-ruïnes. In Drenthe heten ze dobben. Ze zijn er van een paar meter tot meer dan 100 meter in doorsnee. De pingo-ruïne aan de Noordbroeksterweg is zeer groot, namelijk 180 meter in doorsnee en 8 meter diep. Als men goed kijkt, herkent men nog de pingowal, die iets boven z'n omgeving uitsteekt.

Inhoud

De Faculteit Geowetenschappen van de Universiteit Utrecht onderzocht in 2005 de inhoud van deze pingo-ruïne. De vorming van de ijslens vond plaats in het koudste gedeelte van de laatste ijstijd, tussen 20.000 en 15.000 jaar geleden. Tijdens een van de interstadialen (korte warmere perioden), omstreeks 12.000 jaar geleden, begonnen er mossen te groeien in het meer. Ook wat uit de lucht neerdwarrelde, werd in dit meer opgevangen. Zo is gezocht naar vulkanische as (tefra), uitgebraakt door een toen nog actieve vulkaan op IJsland. Maar tefra werd niet met zekerheid aangetroffen. Wel zand, dat onder de barre arctische omstandigheden tijdens de laatste koudefase (tussen 11.000 en 10.000 jaar geleden) vanaf de drooggevallen Noordzeebodem gemakkelijk grote afstanden overbrugde. 

Landschapsgeschiedenis

De waterstand in de pingo-ruïne moet steeds hoog zijn geweest en werd alleen maar hoger vanaf het moment dat de definitieve klimaatsverbetering intrad. Zo bleef een afwisseling van mosveen, humusachtige onderwaterafzettingen, zandig veen en tenslotte beginnend hoogveen met wollegras bewaard. Door de permanent natte omstandigheden ligt in deze pingo-ruïne 12.000 jaar landschapsgeschiedenis opgeslagen. Dat zou men niet vermoeden als men vanaf de Noordbroeksterweg hier het veld in kijkt.

Aan de rand van deze pingo-ruïne vond landeigenaar K. Hartenhof in de jaren '80 van de twintigste eeuw een pijlpunt van jagers van de Hamburgcultuur, die hier zo'n 12.000 jaar geleden moeten hebben gebivakkeerd. Het rendier was hun belangrijkste voedselbron, maar zulke meertjes trokken in de korte arctische zomers ook ander wild en gevogelte aan. De jagers die ons gebied aandeden, hebben die omstandigheid zeker uitgebuit. Het boomloze toendralandschap waarin zij opereerden moet wel een geheel andere aanblik hebben geboden dan het huidige. Opwindend om te bedenken dat een stukje van dat toendralandschap nog onderin de pingo-ruïne bewaard is gebleven!