Groninger Vrouwengalerij

Petronella Heringa: een feministisch schooljuffrouw van de schooljuffrouwen

Als docente op de eerste opleiding voor schooljuffrouwen in Nederland zag Petronella Heringa (1847-1905) het onderwijs voor vrouwen stagneren. Als directrice van eenzelfde soort opleiding in Groningen probeerde ze de positie van de vrouw te verbeteren. Later streed ze met de Groningse Vrouwenbond tegen wetten die het vrouwen verhinderde “op te treden als een zelfstandig mens”. 

Petronella Maria Heringa groeide op in Utrecht. Vervolgens werd ze in Arnhem inwonend docente op de eerste Kweekschool voor Onderwijzeressen. Voor jongens waren er sinds 1795 al kweekscholen – vroege voorlopers van de pabo – geweest, maar Heringa’s in 1860 opgerichte werkgever was pas de eerste voor meisjes. Ze was er bevoegd om Engels, Frans, Duits en vrouwelijke handwerken te geven.

Vrouwelijke handwerken

Dat ze de ambitie had om het onderwijs voor vrouwen op de schop te nemen, blijkt uit een artikel dat Petronella Heringa in 1872 in het tijdschrift De Tijdspiegel schreef. Ze merkte hierin op dat de rest van het Nederlandse onderwijs zich rap had ontwikkeld, maar dat vrouwelijke handwerken – een vak dat ze zelf in Arnhem had gedoceerd – was achtergebleven. Meisjes in de klas werd iets voorgedaan dat ze, zonder dat hen werd uitgelegd waarom, na dienden te doen. Heringa impliceerde dat het vak alleen onderontwikkeld was omdat het aan vrouwen gegeven werd, onderwijs voor mannen kreeg volgens haar meer prioriteit. In het stuk droeg ze oplossingen aan om ervoor te zorgen dat het vak in de toekomst wel op de juiste manier gegeven zou worden.

Groningen

Toen Groningen na Arnhem en Haarlem de derde Kweekschool voor Onderwijzeressen in Nederland kreeg, werd Heringa daar directrice. De stad had op dat moment al bijna tachtig jaar een kweekschool voor jongens gehad. Heringa zag tot haar genoegen dat vrouwen die met de wetenschap in aanraking kwamen niet “op de vlucht werden gedreven” van wat volgens haar hun primaire taak was: die van een moeder en opvoeder. Ongetrouwde vrouwen dienden zich elders in de maatschappij nuttig te maken, zo vond ze.

Vrouwenbond

In 1894, enkele jaren nadat Wilhelmina Drucker in Amsterdam de Vereniging voor Vrije Vrouwen in het leven riep, was Petronella Heringa met 56 anderen betrokken bij de oprichting van de Groningse Vrouwenbond. Ze zei dat De Vrouwenbond streed tegen wetten die het vrouwen verhinderde “op te treden als een zelfstandig mens”, maar benadrukte ook hier dat er wel verschillen bleven tussen man en vrouw. De bond wilde de “vrouwenquestie” onder de aandacht van haar leden brengen en schafte daartoe relevante boeken aan die onder het ledenbestand werden uitgewisseld. Heringa beheerde deze bibliotheek, die aan de Vismarkt gevestigd was.

De Groningse Vrouwenbond zette zich met name in voor vrouwen uit de arbeidersklasse. Zo zorgde de vereniging ervoor dat de gemeente in 1899 vrouwen aanstelde als armenbezoekers, een soort maatschappelijk werksters. In 1902 riep de bond een kinderopvang in het leven waarvan arme moeders gebruik konden maken en daarnaast werden cursussen over het kiesrecht georganiseerd.

Fonds

Petronella Heringa stierf in 1905. Na haar dood werd geld ingezameld voor haar grafsteen, overgebleven middelen werden in het P.M. Heringa-fonds geïnvesteerd. Dat fonds gaf financiële steun aan arme leerlingen. Lichamelijk zwakke leerlingen werden op kosten van het fonds naar hersteloorden gestuurd.