Wadden en water

Penningsdijk: de Stad beschermd tegen het water

De regels van het Groninger recht golden niet alleen binnen de stadsmuren, ook in een strook rondom de stad. Dit gebied werd de ‘stadsvrijheid’ of ‘stadstafel’ genoemd. Toen in de dertiende eeuw het voor die tijd niet benutte ‘reitland’ ten noordwesten van Groningen in exploitatie werd genomen, ging de Penningsdijk de noordgrens van de stadstafel vormen. De dijk lag tussen het Reitdiep in het westen en de Hunze (het Selwerderdiepje) in het oosten. Het gebied ten noorden van de dijk heette Selwerd.

Penningsdijk: de Stad beschermd tegen het water
De Penningsdijk, gemarkeerd met geel, op een blad uit De Atlas der provincielanden van Groningen (1722-1736)

Van de Penningsdijk is tegenwoordig nog maar een klein stukje overgebleven. Het ligt tussen het Zernike-complex en de Paddepoelsterweg. Nog altijd loopt de dijk met een soort zwaluwstaart op de Paddepoelsterweg toe: enkele tientallen meters ten westen van die weg splitst de Penningsdijk zich in een noordelijke en een zuidelijke tak. Deze beide takken en de weg zelf omsluiten een driehoekig stukje land dat op alle gedetailleerde plattegronden te zien is en ook in het veld nog altijd kan worden herkend. Dit driehoekje staat op een in 1732 door Henricus Teijsinga getekende kaart aangeduid als ‘oude justitie plaats’ en is nu bekend als het Galgeveldje.

Afwateringsproblemen

De naam van de Penningsdijk hangt samen met de manier waarop men in het begin van de vijftiende eeuw de waterstaatkundige problemen in dit gebied heeft opgelost. Het peil van het Reitdiep en het Selwerderdiepje (de oude Hunze) was zo hoog, dat het Westerstadshamrik en ook het landje Selwerd daarop niet meer konden afwateren. Door opslibbing was de lozing van overtollig water in noordelijke richting al eerder onmogelijk geworden. Een poging om het water in de buurt van Garnwerd kwijt te raken (1410) bracht geen soelaas. Voor het Westerstadshamrik werd de oplossing gevonden door aansluiting bij het Scharmerzijlvest (11 november 1434). Hierdoor kon het water van deze landerijen via de watergangen van het Oosterstadshamrik-dit had tien jaar tevoren al toegang gekregen tot het Scharmerzijlvest-en het Damsterdiep door deDelfzijl op de Eems worden geloosd.

Kadijk

Eén van de voorwaarden voor de ‘inlating’ van het Westerstadshamrik in het Scharmerzijlvest was, dat de ingelanden van het hamrik ‘vreemd water’ zouden weren. Daarmee werd in het bijzonder het water uit het Reitdiep bedoeld en dat uit het ten noorden van het hamrik gelegen Selwerd en Paddepoel. Er moest onder meer een ‘kadijk’ worden gelegd tussen het Westerstadshamrik en Selwerd. Het doel ervan was alle watergangen af te sluiten die tot dan toe de verbinding hadden gevormd tussen het hamrik en Selwerd. De kadijk moest qua hoogte en breedte van hetzelfde kaliber zijn als de dijk langs het Reitdiep. Vanwege zijn functie, het afsluiten of ‘penden’ van sloten, kreeg de kadijk de naam ‘Pendingsdijk’ of, met assimilatie, ‘Penningsdijk’.

Door deze maatregelen was de helft van de waterstaatkundige problemen ten noorden van Groningen opgelost. Ten noorden van de Penningsdijk hadden het klooster Selwerd en de landbezitters van de Paddepoel echter precies dezelfde moeilijkheden. Een jaar later kwam ook daaraan een einde. In 1435 stond het Aduarderzijlvest de betrokkenen toe om via het toen nog vrij nieuwe Aduarderdiep en de Aduarderzijl af te wateren. Daarvoor was de bouw van een kunstwerk nodig: een ‘grondpomp’ of grondzijl onder het Reitdiep door. Hierdoor kon het water van de Paddepoel en de landerijen van het klooster Selwerd westwaarts stromen, om via de watergangen van Lieuwerderwolde naar het Aduarderdiep geleid te worden.

Echte waterscheiding

Door deze ingrepen werd de Penningsdijk een echte waterscheiding: aan de zuidzijde ervan stroomde het water oostwaarts en kwam uiteindelijk in de Eems uit, aan de noordzijde liep het water in westelijke richting om in de Lauwerszee uit te stromen.