1648-heden

Op drift: migratieverhalen

Theo de Groot en Arnold Veeman spelen in oktober en november 2018 de docuvoorstelling 'Op drift', met als onderwerp de migratiegeschiedenis van Groningen en de Groningers. Theo vertelt verhalen over zijn tante Ria in Kalamazoo in Michigan, die als tiener met haar ouders emigreerde, terwijl haar oudere zus, Theo's moeder, in Delfzijl achterbleef. Hij bespreekt van alles: van het moment dat je de beslissing neemt om te gaan, de verwachtingen die je hebt en de spijt die ongetwijfeld komt. Arnold Veeman verzorgt de muziek.

Op drift: migratieverhalen

Veel verhuizingen vonden vroeger plaats omdat men op zoek was naar werk. - Foto: Arbeiders tijdens wegwerkzaamheden, ca. 1905-1915, www.beeldbankgroningen.nl (818-10884)

Na afloop van elke voorstelling is er een kort verhalencafé met hetzelfde thema: migratie. Daar kunnen mensen uit het publiek vertellen wat zij zelf of hun familieleden hebben meegemaakt. Op 30 september vertelden mensen uit Roden en omgeving in Theater de Winsinghhof de onderstaande verhalen. De rode draad bleek al gauw de reden voor het achterlaten van de geboortegrond: voor velen was dat de zoektocht naar werk, maar ook de vlucht voor geweld en oorlog, de liefde en familieperikelen speelden een rol.

Johannes Antons (1944)

'Mijn voorouders kwamen uit de omgeving van Weener, leerde ik via wat men in het Duits Ahnensuch noemt. Mijn opa, geboren in 1855, is aan het einde van de 19e eeuw naar Groningen gegaan en heeft daar een vrouw gevonden. In 1903 werd mijn vader geboren als jongste in het gezin en ik 1944 werd ik weer geboren als jongste zoon. Er zitten dus maar twee generaties tussen mij en mijn opa uit 1855.
Het staat in Duitsland vol met gedenktekens, voor de oorlog van 1870-71, voor de Eerste en de Tweede Wereldoorlog. Toen ik in het Duitse grensgebied op zoek was naar sporen van mijn familie, kwam ik op zo'n monument mijn eigen naam tegen: Johannes Antons, gevallen in Rotterdam in 1944. Hij is gestorven vlak voordat ik geboren werd. Dat zette me wel aan het denken. Deze Johannes moest als zestien- of zeventienjarige soldaat worden en sneuvelde, en aan de andere kant van de grens hebben mijn ouders Joodse onderduikers in huis gehad...'

Mien Westerdiep (1937)

'Mijn overleden man en ik hebben samen een boek geschreven over de geschiedenis van Westerbroek. Zijn voorouders kwamen in 1703 vanuit Friesland naar de turfgraverij in Groningen. Er kwamen in die tijd veel Friezen naar de verveningsgebieden: het halve dorp Westerbroek bestond op den duur uit Friezen. Er stonden op den duur 18 buitens in het dorp, maar in 1803 zijn ze, op last van Napoleon, allemaal afgebroken, op twee na. De achternaam Westerdiep komt van het kanaal waar het schip van de voorouders van mijn man lag. Maar een volle broer van Westerdiep liet zich gewoon Van Dijken noemen, want hij woonde ergens anders.'

Mina de Vos (1944)

'Als tiener had ik altijd gedonder met mijn pa. Wat niet mocht, dat deed ik. Omdat ik weg wilde, had ik me aangemeld voor een baan als au pair in Zweden. Het was 1961 of 1962, ik wist niet eens wat een au pair was! Op een zaterdagochtend kwam ik thuis van mijn werk en trof ik daar dokter Pieters. Op zich niets bijzonders, want die kwam wel vaker bij mensen langs. Maar hij riep me en zei streng: 'Je vader heeft het aan het hart. Hij haalt het niet omdat jij zo nodig naar Zweden moet.' Achteraf bleek het hyperventilatie te zijn, maar dat woord kenden we toen nog niet.
Ik ben niet gegaan. Waarom ik naar Zweden wilde? Geen idee. Mijn broer, die acht jaar ouder was, was er geweest en had voor mij een hoofddoekje meegenomen waar het land op stond. Zodoende moet ik op het idee zijn gekomen.'

Trijnie Antons-Raap (1945)

'Ook mijn voorouders kwamen naar Groningen voor werk. Bij de familie van mijn vaderskant was mijn opa koppelbaas in het vlas in de omgeving van Drogeham, in Friesland. Daar was geen werk meer en hij en mijn opoe zijn aan de wandel gegaan tot de eerstvolgende vlasfabriek die ze tegenkwamen. Dat was in Appingedam. Ze zijn in Tjamsweer gaan wonen en mijn opa werd weer koppelbaas, terwijl mijn opoe kookte voor de losse arbeiders. Tijdens de Eerste Wereldoorlog zijn er vanuit België flink wat arbeiders naar Appingedam gekomen. Ze wisten waar ze heen moesten: ze hadden in hun eigen land ook in de vlasindustrie gewerkt en wisten dat er in Appingedam een fabriek stond. Bij mijn opa en opoe werd middenin de nacht aangeklopt en toen sprak mijn opa de in onze familie legendarische woorden: 'Tet, als jij voorop gaat, licht ik je wel bij.' Maar het bleken Belgische vluchtelingen.
Mensen trekken vaak daar naartoe waar werk is. Zo zijn er ook veel Groningers naar Duitsland gegaan om te werken in de Ziegelei. Zo noemen ze daar de steenfabrieken.'

Jan Fonk (1933)

'Ook ik heb genealogisch onderzoek gedaan. Onze familie komt oorspronkelijk uit Frankrijk en gaat terug tot ongeveer 1500. Er zijn allerlei verschillende schrijfwijzen van de naam ontstaan: Fonq, Fonck, Foncq en mijn variant: Fonk. Ergens is een voorouder in het leger gegaan als 'heel- en vroedmeester' en hij is met de troepen in het noorden terechtgekomen. Diens kleinzoon, mijn opa, was in de 19e eeuw schoenmaker in Leek en hij wilde wel met een meisje uit Roden vrijen. Maar zoals dat gebruikelijk was in Roden werden de meisjes goed bewaakt en het kostte de vrijer dan ook een hoop kannen drank om haar te mogen zien en spreken. Geert Adrianus Fonk kreeg na vele liters jenever toestemming voor zijn verkering met Aaltje Smid en uiteindelijk zijn ze getrouwd.'

Jan van Bon (1953)

'Een bekende voorvader van mij was Berend Botje. Hij werd aan het einde van de 18e eeuw geboren en was beurtschipper. Hij heette geen Botje: hij kwam uit het buurtschap Bonnen en toen hij een achternaam moest aannemen, werd dat Van Bon. Hij trok naar Amerika, net zoals in het liedje, maar dat was niet zo'n succes. In Zuid-Afrika had hij meer geluk, werd heel rijk, maar nadat hij alles had verbrast, kwam hij weer terug. Hij bezat houtzaagmolens en oliemolens in Plankensloot. Dat gehucht dankt zijn naam aan het hout op stam dat uit Zweden werd aangevoerd: via Delfzijl kwam het over de Hunze naar het Zuidlaardermeer en in Plankensloot werden de stammen 'gewaterd' totdat ze gezaagd werden.'