Op drift - migratieverhalen: 'Gastarbeiders' van de Gasunie

Theo de Groot en Arnold Veeman spelen in oktober en november 2018 de docuvoorstelling 'Op drift', met als onderwerp de migratiegeschiedenis van Groningen en de Groningers. Theo vertelt verhalen over zijn tante Ria in Kalamazoo in Michigan, die als tiener met haar ouders emigreerde, terwijl haar oudere zus, Theo's moeder, in Delfzijl achterbleef. Arnold Veeman verzorgt de muziek, én commentaar op Theo's verhalen.

Op drift - migratieverhalen: 'Gastarbeiders' van de Gasunie

Het hoofdkantoor van de Gasunie verrees in 1968 aan de Marie Curiestraat in Corpus den Hoorn. Vele honderden 'immigranten' vonden er werk. - Foto: Collectie Groninger Archieven

Na afloop van elke voorstelling is er een verhalencafé met hetzelfde thema: migratie. Daar kunnen mensen uit het publiek vertellen wat zij zelf of hun familieleden hebben meegemaakt. Op 28 oktober vertelden mensen in Zalencentrum De Hoogte in Winsum de onderstaande verhalen, over een Oostenrijks pleegkind, een Brabantse die zich in Groningen thuisvoelt en 'gastarbeiders' van de Gasunie in Haren.

Pleegkind uit Oostenrijk

'Mijn oma Marie is hier gekomen uit Oostenrijk, uit Burgenland,' vertelt een vrouw uit het publiek na afloop van de voorstelling. Burgenland hoorde eerst bij Hongarije, maar werd in 1920 onderdeel van Oostenrijk. 'Mijn oma kwam als achtjarige met een trein vol andere kinderen naar Holland om aan te sterken. Na de Eerste Wereldoorlog werd er in Oostenrijk honger geleden. 'Ze is bij een gastgezin in Friesland terechtgekomen. Ze is nog wel teruggeweest naar haar ouders in Oostenrijk, maar weer naar Nederland gekomen en daarna min of meer geadopteerd door haar gastgezin. Vlak voor de oorlog trouwde ze met een Nederlander. Ze zal het in de Tweede Wereldoorlog niet zo leuk hebben gehad als Duitstalige, maar ze was een heel lieve vrouw die niemand kwaad deed.'

'Gastarbeiders' van de Gasunie

Tjerk Wagenaar (1961) was zes toen hij in Haren kwam wonen. 'Mijn moeder kwam uit Rotterdam, mijn vader oorspronkelijk uit Heemstede. Hij ging voor de Gasunie aan het werk.' In 1968 vestigde de Gasunie zich in Groningen, nadat er vijf jaar eerder een begin was gemaakt met de exploitatie van het aardgas dat in Groningse bodem was gevonden.
'Mijn vader werkte eerst voor de waterleiding, maar zijn schoonvader zei: 'water is net gas, dus die pijpen kun jij vast ook wel leggen.' Zo verhuisden wij rond 1967 naar Haren. Er waren toen heel veel mensen die allemaal tegelijk voor de Gasunie aan het werk gingen. In Haren had de Gasunie misschien wel de helft van de huizen opgekocht en weer doorverkocht aan de werknemers. Er ontstond een echte subcultuur van Gasuniemensen, een groep van zo'n duizend man. Mijn familie was katholiek, waardoor we in nog een kleinere subgroep terecht kwamen. De eerste tien jaar deden we boodschappen bij de katholieke bakker, de melkboek, enzovoort.'

'Vanaf het begin dat we in Haren woonden, zetten mijn ouders zich in om Groningen te leren kennen. We gingen elke zondag op pad, maakten tochten tot ver in het Oldambt en mijn ouders verdiepten zich in de lokale geschiedenis: bijvoorbeeld over de wierden. We leerden thuis het Groningse volkslied. Sommige klasgenoten van mij bleven thuis Limburgs spreken, maar wij voelden ons al snel thuis. Als we de schoorstenen van de Hunzecentrale zagen, dan kregen we een warm gevoel.'
'Echt integreren deed ik via het voetbal. Ik speelde bij Be Quick, waar ook veel Stadjers kwamen. Dan moesten we de provincie in, helemaal naar Stadskanaal of zo en terwijl wij allang aan de warming up bezig waren, kwamen die boertjes vijf minuten voor aanvang aangesjokt. Klompen uit, voetbalschoenen aan, maar vervolgens werden wij wel helemaal afgedroogd!'

'Mijn ouders zijn hier naartoe verhuisd met het idee dat ze er twintig jaar zouden wonen. Zo was het hen ook voorgehouden, want eind jaren tachtig zouden we allemaal overgeschakeld zijn op kernenergie. Zij integreerden niet echt, maar ze voelden zich hier ook thuis. Ze waren trots op Groningen. Aan de familie in het westen vertelden ze positieve verhalen. Ze waren bij aankomst dan ook als een soort helden onthaald: de mensen van de Gasunie zouden het gas bij de mensen thuis gaan brengen, zodat iedereen kon meedelen in de welvaart. Als nieuwkomers kregen ze een welkom gevoel. Maar er waren ook Gasuniemensen die soms klaagden. De afstand naar de rest van het land was wel erg groot (tussen Zwolle en Groningen had de weg maar twee rijstroken...) en sommigen misten de cultuur. Die behielden hun abonnement op het Concertgebouw. Later, vooral met de komst van het Groninger Museum, speelde dat niet meer.'
'Veel van mijn schoolvrienden zijn binnen een straal van dertig kilometer gaan wonen. Mijn ouders wonen nog steeds in Haren, hoewel ze na de pensionering van mijn vader wel nagedacht hebben over terug verhuizen. Ze hebben hier hun bekenden, ze hebben hier iets opgebouwd. Maar Haren is nu wel grijs, hoor, met al die Gasuniemensen uit de jaren zestig.'

'Valst wel mit, wicht'

Adrie van Riel werd in 1948 geboren in een dorpje onder Breda. 'Mijn ouders woonden vlak bij de grens met België. Over hun land liep een beekje die de grens markeerde. Ik woonde daar tot mijn 24e, tot ik met mijn man verhuisde naar Duitsland. Hij kon als ingenieur geen werk vinden in Nederland, maar in Duitsland lagen wel mogelijkheden voor hem. Zes jaar hebben we in het buitenland gewoond, maar toen kwamen we weer terug: mijn man begon aan een studie medicijnen in Amsterdam. We hebben in Heiloo gewoond, daarna een tijdje in Hoogeveen. Met hinkstapsprongen verhuisden we steeds verder naar het noorden, tot we terechtkwamen in Winsum. Tot mijn verbijstering woon ik hier al 38 jaar!'
'Wat me hier bindt? Brabanders zijn als los zand, Groningers staan stevig met hun poten in de klei. In Brabant word je misschien joviaal begroet, maar dan ben je nog geen vrienden. In Groningen moet je jezelf bewijzen, de mensen hebben een meer afwachtende houding. Toen ik hier ruim vier jaar woonde, zei een dorpsgenoot me op een dag: 'Valst wel mit, wicht.' Ik voelde me vereerd, het was een echt compliment. Bij Brabanders geldt het spreekwoord: zo gewonnen, zo geronnen. Ik kan hier veel beter aarden.'
'Mijn Brabantse familie vond en vindt het altijd ver om naar hier te komen. Mijn ouders bleven nooit lang. Als ze gingen wandelen, dan wilden ze buurten, een praatje maken. Maar zij en de Groningers verstonden elkaar niet; ze hadden ook een zwaar accent. Ze gingen altijd dezelfde dag weer terug.'
'Mijn wieg stond in Brabant, maar van aard ben ik Groningse.'