Oorlog in Stad en Ommeland

1914-1945

Oorlogsflitsen

Geboren in 1936 was ik 4 jaar oud toen de oorlog begon, 9 jaar oud bij de bevrijding. Wat ik als kind van toen nog weet en niet vergeet!


 

Oorlogsflitsen
Bij de bevrijding van Groningen bloeide de prunus. - Foto: Laurence Vagner via Flickr

Wij woonden in Groningen aan de Kraneweg: een lange straat. Aan de overkant stonden mooie, grote huizen. Mijn oma woonde aan deze overkant en ze had mooie rieten leunstoelen. Op weg naar school, aan het einde van het eerste blokje van onze straat, stond een Duitse soldaat op wacht. Dit huis was al gevorderd door de Duitsers en werd bewoond door officieren; met een stille angst, iets nieuwsgierig moest ik er wel langs, ik liep dan op de rand van het trottoir, zo ver mogelijk er vandaan. Steeds vaker ging later het luchtalarm af: dan was er vaak een razzia, was er iets gebeurd of was men op zoek naar een persoon. Wij als kinderen moesten altijd zeggen: Papa is er niet! 

Eens ging het luchtalarm en werd er bij ons hard aangebeld: wij kropen onder de eetkamertafel, zo was het ons geleerd; mijn moeder ging de achtertuin in om mijn zusje in de wandelwagen achter in de tuin eerst op te halen. Er werd nog heviger gebeld, daarna deed mijn moeder de deur open: twee soldaten doorzochten het huis van beneden naar boven. Van onder de eetkamertafel zag ik een man klimmen van het ene balkon naar het andere balkon van de huizen aan de achterkant, maar ook de Duitse soldaten hadden dit gezien! Ze vlogen op een holletje de tuin in naar de huizen in de achterliggende straat. De jongeman werd gepakt! Weer die stille angst en onzekerheid!

Dan was er de verduistering: als het donker was mocht er geen streepje licht vanuit de kamer buiten te zien zijn. Anders werd er mogelijk aangebeld, weer die stille angst. Mijn vader had van een wandelstok met behulp van een wieltje en een dynamo een lichtgevende wandelstok gemaakt. Dit gebeurde allemaal buiten ons om; we ontdekten het gewoon. Zo hoorde ik ook opeens van "bonnen". Iedereen had een distributiestamkaart met een nummer. Mijn nummer was: A13057.

Op een bepaalde dag moest ook Oma uit haar huis, ze moest het gemeubileerd achterlaten, ook de rieten tuinstoelen bleven daar. Ik dacht toen: ja, die soldaten moeten ook zitten, maar ik miste ze wel.

Op een andere dag gingen mijn zusje en ik naar de gaarkeuken. Een rij mensen met een pan in de hand stond te wachten voor een trapje, dat leidde naar twee heel grote pannen met al een even grote pollepel, ieder kreeg een lepel vol in zijn eigen pannetje: soep. Grijs van kleur met bruine stukjes erin. We waren blij dat we weer thuis waren!

Bij een ander luchtalarm, we lagen al op bed, hoorden we plotseling een hevige knal: boem, lichtflitsen en gerinkel! Ik hoorde dat er een bom van de geallieerden per ongeluk was neergekomen op een huis twee straten verder. De bewoners overleefden het niet. Ik voelde de spanning bij ons thuis, maar veel werd er niet gesproken, waarschijnlijk om ons als kinderen te sparen.

Later verscheen er opeens een karretje in onze vestibule. Het leek op een bakkerskar, de deksel ging net zo open. We mochten er niet aankomen of in kijken! Het karretje zou meegaan als we naar Polen moesten gaan. Ik begreep het niet helemaal en vroeg me af of het daar mooi zou zijn. Stiekem keek ik eens in dat karretje: ik zag een bruinrood truitje met koordjes, de kleur vond ik vreselijk. Voorzichtig deed ik de deksel weer dicht. Het karretje bleef in de vestibule staan. Weer de stille angst!

Nog later zag ik mijn vader met zandzakken in ons schuurtje. Ze werden voor het raampje van de kelder gezet. Op mijn vraag waarom antwoordde hij: "Daar gaan geen kogels door." Weer die stille angst en onzekerheid.

Weer later in de tijd gingen we echt in de kelder, ook mijn oma en een oom en tante. Groot was mijn verbazing: er stond een kacheltje in de kelder en een lange tafel met lange houten banken. De aardappelbakken links in de kelder waren als bedden ingericht!

Ondertussen stonden er twee Duitse soldaten in onze vestibule: grote mannen met een brede riem, geweer paraat en twee pantserfausten tegen de muur.

Zo zaten we met elkaar in de kelder. De kleintjes sliepen in de aardappelbakken, later sliepen ook mijn zusje en ik erin. Ik weet nog dat voor ons de bakken te kort waren. Opeens pakte mijn vader een blik van de plank: "Voor het laatste bewaard," zei hij. Het blik werd open gemaakt: echte ham met gelei er bovenop! Hoe we dit gegeten hebben, weet ik niet meer, maar wel hoe mijn vader opeens dat blik pakte met zijn hand.

Vervolgens een dreunend lawaai. De Duitse soldaten riepen dat mijn vader moest helpen: er was een fosforbom in de tuin gevallen. Deze moest geblust worden en mijn moeder riep: "Niet doen!" Maar er was geen keus. We waren blij dat vader na verloop van tijd weer terugkwam, het was gelukt en de Duitse soldaten hadden goed geholpen. Ondertussen rukten de Canadezen op vanuit het Kostverloren achter onze straat, het ging van boom tot boom. Zo kwamen de bevrijders bij de Kraneweg! De Duitsers aan de overkant in de huizen, de Canadezen aan het Westeinde van de straat. Kogels van de onderdrukkers en van de Canadezen tegelijk!

Opeens zag ik twee jonge soldaten boven op de keldertrap staan, de loop van het geweer op ons gericht. Het waren Canadezen! Ze zagen er ook anders uit: een plattere helm met een netje, zelfs hun gezichten vond ik anders. Wij moesten blijven zitten tot ze weer kwamen. Mijn vader ging toch naar boven. Snel was hij terug: mijn zusje en ik en een meisje van 15 jaar moesten zo snel mogelijk via de achtertuin en de brandgang de achter ons huis gelegen straat oversteken, om via de volgende brandgang naar kennissen van mijn ouders te gaan, waar de straat al was bevrijd.

Hopeloos keken we rond: het moest! Uit de kelder via de keuken en het schuurtje kwamen we in de tuin, bang en nieuwsgierig keken we naar de plek van de fosforbom. Toen zag ik oranjerode vlammen over het dak van ons huis komen: alles stond in brand aan de overkant.

Zo gingen we de brandgang in: eerst een recht stuk, er was niemand, dan de bocht naar rechts, je zag dan al het einde van de gang. Zo liepen we de brandgang uit om de straat over te steken. Links voor de uitgang zag ik een soldaat op de straat liggen. Zijn rechter been was naar buiten gedraaid en half bedekt door een zeil. We moesten verder, er klonken schoten. Met de rug tegen de muur van de brandgang aan de overkant wachtten we bang tot het weer rustig was.

Toen we bij het adres waren aangekomen, waren de anderen er niet. We moesten naar de overkant van de straat gaan naar het huis van een oom, want daar zou iedereen in de kelder zitten. Gelukkig was het waar! Er waren nog veel sluipschutters. Een man die even naar buiten wilde kijken, werd dodelijk getroffen door een kogel.

Wij zijn nog geruime tijd daar in de kelder gebleven, toen zijn we naar het huis gegaan van mijn opa en oma. Daar bloeiden de prunusbomen volop! De vogels hoorde ik weer zingen! Ondertussen knapte mijn vader ons huis weer wat op, de ramen met karton, waarin een klein stukje glas werd gezet. Later kwamen de Canadezen met hun tanks als de bevrijders de Kraneweg opnieuw binnen.

Tot mijn grote verbazing aten ze spierwit wittebrood met een dikke laag vuurrode jam, een grote boterham met een rond uiteinde. Wittebrood met rode jam, op 5 mei moet ik eraan denken!

Leven zonder angst!
Bevrijding!

De prunus bloeide schoon tegen een blauwe lucht.
Vluchtend door de brandgang
voor de vlammenzee aan de overkant
zochten twee kinderen
van acht en negen jaar
ergens een veilig heenkomen:
over de stille straat,
net door de geallieerden ingenomen.
Sluipschutters paraat!
voor de uitgang een jonge
dode Duitse soldaat
gedeeltelijk door een zeil bedekt:
groot verderf en noden:
toen en nu, hier en veraf: burgeroorlogen, ontvoeringen aan de orde van de dag, daarom deze vijfde mei in dankbaarheid groots vieren, want:

Wonderlijk mooi bloeit de prunus weer na 70 jaren!