1648-1815

Onbetaemelijkheden in Scheemda: het zedenproces Knoop (1773-1776)

In augustus 1770 werd Eerardus Geerts Knoop koster en schoolmeester in Scheemda. Knoop, in 1746  geboren in Vlagtwedde, was ongehuwd en had Catharina (Kaatje) Hartogs  als dienstmeisje. De school en zijn huis waren in één pand ondergebracht. Omstreeks Allerheiligen 1772 gingen er geruchten dat meester Knoop onbetaemelijkheden zou hebben begaan met een van zijn leerlingen: de 10-jarige Hiska Hesse. 

Onbetaemelijkheden in Scheemda: het zedenproces Knoop (1773-1776)
Een school in ca. 1800. - Beeld: Collectie Nationaal Onderwijsmuseum, Rotterdam

Hiska was de dochter van de koopman Eppo Hesse uit Scheemda. Ze was enig kind en werd, omdat haar moeder overleden was, verzorgd door dienstmeisjes en een tante. Het meisje kreeg op school nog wat extra lessen tijdens de middagpauze in de woonkeuken van Knoop. Kaatje mocht dan niet in de keuken komen. Hiska was een begaafde leerling en kreeg op advies van haar opa Hesse Duitse taallessen. Bovendien voorkwam men zo, vertelde Knoop later, dat ze naar het kerkhof ging om haar moeders graf te bezoeken. De meester vond haar aanvallig, beleefde genoegen aan het meisje en had er minder mee te doen dan met andere leerlingen. 

Knoop gaf aan dat Hiska meer door hem werd aangehaald dan de andere kinderen, maar dat daar in de klas geen sprake van was. Als ze soms iets te vroeg bij school was, had ze de vrijheid om zich in de keuken te warmen en haar hoed neer te leggen. Zijn goede relatie met Hiska bleek ook uit zijn verklaring dat hij haar bij het haardvuur wel eens op de schoot nam en haar een ogenblik kuste.
Toen de geruchten over Knoop aanhielden, haalde vader Hesse zijn dochter in januari 1773 van school. Later werd Hiska bij familie in Weener (Oostfriesland) ondergebracht. 

Geruchten

Om de geruchten de kop in te drukken, nam Knoop begin februari zelf contact op met wedman Stheeman, die vervolgens enkele dorpelingen hoorde. Stheeman zag aanleiding voor uitgebreider onderzoek en ondervroeg één van de personen die de geruchten in omloop hadden gebracht. 
Hij ging daarbij procedureel nogal onzorgvuldig te werk. Hij ging namelijk niet naar drost Berghuijs in Zuidbroek, zoals hij dat had moeten doen, maar droeg, zonder dat Knoop dat wist, de getuigenverklaringen over aan dominee Folckers in Scheemda.

In de tussentijd had Knoop ook de hulp ingeroepen van de dominee, maar zonder resultaat. Folckers stuurde hem met een kluitje in het riet: hij kon niets voor hem doen maar verzekerde de meester dat hij persoonlijk niets op zijn gedrag had aan te merken. Wel werd Knoop uitgesloten van het Avondmaal om ergernisse te voorkomen. Dominee Folckers adviseerde Knoop nog om eens met dokter Benus te praten. De dokter zei hem zich maar stil te houden zolang er over hem gepraat werd: het zou vanzelf wel overgaan. Maar daar dachten de wedman en de drost anders over. 

De oriënterende getuigenverklaringen werden gevolgd door verhoren onder ede door de drost en zijn assistent, landschrijver (griffier) Van Iddekinge. Intussen bleef de meester onkundig van de beschuldigingen en hij kon daardoor in een vroeg stadium geen actie ondernemen.

Hiska verleid?

Begin april 1773 werd een groot aantal dorpelingen gehoord. De getuigen beschuldigden Knoop er onder meer van, dat hij in de middagpauze Hiska bij hem in de keuken tussen de benen had staan, haar kuste en haar verleidde tot het betasten van zijn mannelijkheid of strelinge van zijn libidineusheid. Verder zou zij tijdens de lessen in het klaslokaal, toen Hiska naast hem stond bij de cathederstoel, haar hand in zijn geopende voorbroek hebben gehad. Het dossier vermeldt ook nog dat er sprake was van op de grond liggen met de meester er boven op [….] met opgetrokken rokken.

De Torenstraat in Scheemda, ca. 1913. - Ansichtkaart: CHC Oldambt
De Torenstraat in Scheemda, ca. 1913. - Ansichtkaart: CHC Oldambt

Arrestatie!

De getuigenverklaringen waren aanleiding om Knoop in de nacht van 26 op 27 april te laten arresteren. Wedman Stheeman bracht hem die nacht naar de gijzelkamer in het rechthuis in Zuidbroek. Uit een bewaard gebleven rekening aan de drost van H.J.Kuipers, de castelein van het regthuis, komen we enkele details te weten over de omstandigheden in de cel, gedurende de 53 dagen die Knoop daar zat. Er lag stro op de vloer en slechts eens in de veertien dagen werd het toilet (vat) geleegd. 

Het verblijf in de gijzelkamer ging Knoop niet in de koude kleren zitten. Tijdens de laatste twee weken van zijn detentie vroeg hij om medische bijstand. De gerechtsbediende, die de wacht hield bij Knoop, kreeg de opdracht dokter Benus bij hem toe te laten. Mocht de arts het nodig oordelen, dan zou ook nog een chirurgijn geconsulteerd kunnen worden, maar daar moest de wacht dan wel bij blijven. Wat er aan de hand was, blijkt niet uit het dossier, maar Knoop kreeg medicijnen. Na twee weken meldde Benus: Ik vind de schoolmeester Knoop in zulk eene staat dat hij thans wel zonder medicijnen af kan.

Onderzoek

Op de dag na de arrestatie maakte landschrijver Van Iddekinge de inventaris op van Knoops inboedel en werden de contanten en papieren in beslag genomen. Knoop werd op diezelfde dag door de drost verhoord en schreef zijn eerste verweerschrift in een lange reeks die nog zou volgen.
Naar aanleiding daarvan vroeg Berghuijs aan dominee Folckers om hem de achtergehouden getuigenverklaringen, die door wedman Stheeman waren verzameld, toe te sturen.
De getuigen werden in de volgende weken steeds nadrukkelijker aan de tand gevoeld over de verklaringen en geruchten. Begin juni ging de landschrijver zelf naar Scheemda om daar onderzoek te doen. Hij keek nauwkeurig naar de plaats van een aantal meubelstukken in de keuken en de situering van de vensters, om de zichtbaarheid van de meester en Hiska vanaf bepaalde plaatsen te kunnen beoordelen. 

Vonnis

De drost voelde zich kennelijk niet zo zeker van de zaak, want hij reisde naar Groningen voor overleg met drie rechtsgeleerden. Ook aan jurist Forsten uit Veendam vroeg hij advies. Op 7 juni 1773 velde Berghuijs uiteindelijk zijn vonnis: Knoop werd levenslang verbannen uit de provincie Groningen en de Heerlijkheid Wedde en Westerwolde. Mocht hij toch terugkeren en opgepakt worden door justitie , dan zou opsluiting volgen in het tuchthuis te Groningen. Daar moest hij dan met handenarbeid zijn levensonderhoud verdienen. Op 12 juni werd dit vonnis aan Knoop voorgelezen. De meester koos er voor om in beroep te gaan bij de Hoge Justitiekamer (HJK) in Groningen.

Naar ’s Hoves Gevangenisse

Knoop had het geluk dat zijn proces plaatsvond ná 1749, omdat sinds dat jaar beroep bij de Hoge Justitiekamer in Groningen mogelijk was. Op 15 juni 1773 vroeg hij om toelating tot de beroepsprocedure. De HJK ging akkoord en wees hem twee advocaten toe: dr. Hoving en dr. J. Koning. 

Drie dagen later ruilde de meester de gijzelkamer in voor een cel in Groningen. Cipier Hamming van de HJK bracht Knoop van Zuidbroek over naar ‘s Hoves Gevangenisse in de Boteringestraat. Procureur generaal (PG) Van Menninga moest nu beoordelen of het proces door de drost op juridisch correcte wijze was uitgevoerd. Na een eerste verhoor op 25 juni moest Knoop maar liefst 5 maanden wachten voordat hij zijn advocaten kon spreken. Op 10 november was hun eerste ontmoeting. Drie dagen later vroeg Geert Adams Knoop, Eerardus’ vader, toestemming bij de HJK om zijn zoon te bezoeken. Sinds zijn vertrek naar Groningen hadden vader en zoon elkaar niet meer gezien. Van Menninga had een eerder verzoek afgewezen. Vader Geert wilde met zijn zoon spreken ten opzigte van domestique zaaken als ook om zoo veel mogelijk ten opzigte van het betonen van zijn zoons onschuld en om daer van de advocaten te kunnen informeren.  Knoop sr. verzocht gratieus gelieven te accorderen dat hij en andere naastbestaande bloetvrienden bij de gedetineerde eenig acces mogen hebben. De hoofdmannen gingen akkoord. Naar het lijkt verzorgde Knoop sr. de contacten met de achterban in Scheemda, zijn familie in Vlagtwedde maar ook met leveranciers van levensmiddelen. Ook verving Geert zijn zoon tijdelijk als onderwijzer op de Scheemder school.

's Hoves Gevangenisse: het Spinhuis in Groningen waar Knoop maandenlang gevangen zat. Foto uit ca. 1899. In 1905 werd deze gevangenis afgebroken. - Foto: www.beeldbankgroningen.nl (1785-08017)
's Hoves Gevangenisse: het Spinhuis in Groningen waar Knoop maandenlang gevangen zat. Foto uit ca. 1899. In 1905 werd deze gevangenis afgebroken. - Foto: www.beeldbankgroningen.nl (1785-08017)

Zonder fondament

Op 24 januari 1774 leverden de advocaten namens Knoop een stuk van 467 artikelen in bij secretaris van de HJK, W. Beckering. Zij constateerden dat de drost op een informele, onvoorzichtige manier, zonder genoegsame fondament en niet volgens op het recht gebaseerde wijze de procedures had toegepast. Dit was in strijd met wat in de provincie gangbaar was in criminele processen. Ze somden een aantal punten van kritiek op: 

Er was nooit een aanklacht door wie dan ook tegen hem ingediend bij justitie.

De beschuldigingen waren gebaseerd op losse geruchten en hadden een hoog 'van horen zeggen' gehalte.

Enkele getuigen waren minderjarig en anderen niet van onbesproken gedrag. Nieske Rindelts, bijvoorbeeld, was niet onafhankelijk want ze huurde land van Knoop en was bovendien alcoholiste! Roelf Keun stond in het dorp bekend als een notoire dief. Hij stal bijvoorbeeld enige worsten uit het huis van Knoop en at die bij Nieske Rindelts op.

De drost had geen enkele poging gedaan ontlastende feiten of omstandigheden te vinden, waartoe hij eigenlijk wel verplicht was. Dat verbaasde des temeer omdat de meester een man van onbesproken gedrag was, die zijn werk goed deed en een goed lidmaat van de kerk was.

Knoop verweet de drost dat die hem een wederregtelijke procedure had aangedaan en wees op de publicaties van twee zeer beroemde rechtsgeleerden. Daarin las hij, dat er in een zaak als de zijne zeer voorzichtig te werk moest worden gegaan en eerst goed moest worden geïnformeerd en onderzocht alvorens tot een procedure over te gaan. Tenzij de beklaagde op heterdaad was betrapt, of dat die was aangeklaagd, mocht men geen criminele procedure beginnen. De drost had zich moeten realiseren dat hij, door zijn onvoorzichtige werkwijze, de reputatie van zowel Knoop als Hiska en haar familie op het spel zette.

De verslagen van de afvragingen door wedman Stheeman kwamen pas onder ogen van de drost nadat Knoop al was vastgezet in Zuidbroek. De drost had als reden voor die opsluiting alleen maar kunnen beschikken over de losse geruchten waarop de wedman zijn opvattingen over de zaak baseerde. Daarom kon er ook in een vroeger stadium niets door Knoop worden ondernomen. Bovendien waren de eerste verhoorverslagen nota bene bij dominee Folckers in plaats van bij de drost in bewaring gegeven. 

Onwettig geprocedeerd

Van Menninga bestudeerde het stuk en kwam op 7 maart met zijn oordeel. Hij veegde de vloer aan met de werkwijze van de drost en kon zich op een groot aantal punten vinden in de zienswijzen van Knoop en zijn advocaten.
In zijn Consideratien stelde Van Menninga dat er op een onwettige manier geprocedeerd was. De getuigenissen waren naar zijn oordeel onbestaanbaar en het delict waarvan Knoop werd beschuldigd onwaarschijnlijk, jaa onmogelijk. De PG verklaarde Knoop onschuldig en vroeg de HJK hem vrij te laten! Een mooie opsteker dus voor Eerardus. 
Op 24 maart leverden Knoop's advocaten nog de Nadere reden van Bezwaar waarin zij nieuwe beschuldigingen van de drost weerlegde. Hoewel Berghuijs eerder uitdrukkelijk had verklaard zich niet meer met de zaak Knoop te bemoeien, had hij toch nog weer nieuwe getuigen opgeroepen. Berghuijs wist dat hij niet alsnog met nieuwe getuigenverklaringen moest komen, maar vroeg de HJK dit te accepteren vanwege de zwaarte van het delict. 

Knoop speculeerde nu dat de drost nogal onder de indruk was van de door de verdediging aangevoerde kritiek op de gang van zaken in Zuidbroek en dat de bewijzen tegen hem erg zwak waren. Zelfs een onderonsje tussen de HJK en Berghuijs, om te voorkomen dat Knoop in beroep zou worden vrijgesproken, sloot hij niet uit. Op 18 april wezen de commissarissen Wichers en Quintus er namens Van Menninga bij de HJK nog eens met nadruk op dat de schoolmeester onschuldig was en moest worden vrijgelaten. 

Definitief

Knoop had misschien veel vertrouwen op een gunstige afloop door die herbevestiging van zijn onschuld door de hooggeplaatste functionarissen van de HJK. Een snel ontslag uit de gevangenis lag redelijkerwijs voor de hand. Helaas, het duurde nog 6 maanden tot er een besluit genomen werd. Pas op 10 oktober 1774 viel het oordeel van de Hoge Justitiekamer van Groningen: het vonnis van drost Berghuijs werd bevestigd! De motivering van dat besluit ontbreekt helaas in het dossier. Eerardus Geerts Knoop werd alsnog  levenslang verbannen.