Oorlog in Stad en Ommeland

1914-1945

Nazi-buren in Nieuweschans

Toen de oorlog uitbrak, lag ik in een kinderledikantje voor het raam van de slaapkamer van mijn ouders, die op dat ogenblik denk ik de situatie in de wereld en in ‘Schanze’ bespraken met onze buren. Ze waren in elk geval niet thuis. De hiervoor bedoelde situatie was als volgt: we woonden in een huizenblok van drie woningen aan de Stationsstraat in Nieuweschans, ongeveer 50 meter verder stond het toen zeer grote spoorwegstation. In het middelste huis woonde de familie Braun, een Duits gezin met vier kinderen, waarvan de man een hoge mieter bij de Duitse Spoorwegen (DB) was en overdag rondliep in een bruin overhemd met een rode band met hakenkruis om zijn arm. Een felle nazi-aanhanger dus. Buurvrouw Braun was een lief mens.

Mijn ouders waren op het eerder bedoelde moment bij de andere buren in ons blok op nummer 13, bij de familie K., een gezin met vier zonen die in leeftijd rond 10-18 jaar waren. Hun vader was de opperwachtmeester van de Rijkspolitie in Nieuweschans. Mijn vader werkte als schilder op de plaatselijke strokartonfabriek en mijn moeder was huisvrouw met één kind (ik dus) van 10 maanden, wij woonden dus met z’n drieën op nummer 9. De familie K., evenals mijn ouders, waren zeer tegen het nazi-regime, maar als buren leefden de drie gezinnen heel plezierig met elkaar en kwamen met enige regelmaat bij elkaar over de vloer. Een uitstekend nabuurschap mag je wel stellen.

Toch wel gevaarlijk

De avond dat de Duitsers langs de spoorlijn ons land binnenkwamen, werd er wel geschoten, maar er was geen groot oorlogsgeweld te bespeuren. Toch werd er dusdanig gevuurd, dat mijn moeder plotseling tot de ontdekking kwam dat ik nog in mijn bedje voor het raam lag en dit wel eens gevaarlijk zou kunnen zijn. Ze was toen nog volledig onbekend met de gevaren van een oorlog, die ons vijf jaar lang in de greep zou houden en ze ging dan ook direct naar huis.

Goede buren

Toen de oorlog werkelijk was uitgebroken, heeft mijn vader een gesprek gehad met zijn Duitse buurman en (zoals mij later is verteld) wisten de mannen van elkaars ver uiteen liggende standpunten, maar hebben ze afgesproken elkaar als goede buren te blijven respecteren.

Netvlies

De eerste twee oorlogsjaren heb ik natuurlijk niet bewust meegemaakt, maar vanaf het eind van mijn derde jaar zijn heel veel indrukken van gebeurtenissen op mijn netvlies achtergebleven. Vooral ook de wekelijkse aanvoer van allerlei soorten groente en fruit. Deze waren voor mijn moeder niet meer te krijgen in de winkel, maar bij onze Duitse buren werd elke week nieuwe aanvoer gebracht. Wij kregen daar lange tijd ons deel van, totdat het ook in Duitsland slechter en slechter werd. Onze familie in Appingedam en Haarlem geloofden nauwelijks mijn moeder nauwelijks als ze schreef wat wij allemaal te eten hadden.

Treinen beschoten

Omdat er geen kinderen van mijn leeftijd in de buurt woonden, heb ik in die tijd veel gespeeld om en bij het station en had zelfs een rode pet op het stationskantoor hangen. Die was van Klaasje en niemand mocht er aan komen. Met regelmaat werden de vlak bij ons huis vertrekkende treinen beschoten. De Duitsers hadden naast een personentrein die richting Groningen moest vertrekken een lange, hoog opgeladen Rode Kruistrein neergezet. Op een Rode Kruistrein mocht niet worden geschoten en dus werd de gedeeltelijk door deze hoog opgeladen trein uit het zicht gehouden passagierstrein grotendeels volgeladen met spullen voor de Duitse Wehrmacht in Groningen.

Waar de Duitsers echter niet op hadden gerekend; Engelse jagers kwamen terug toen de trein vlak bij Ulsda reed en hebben de trein flink beschoten. Later kwam deze trein achteruitrijdend weer op station Nieuweschans aan. Zo was ik erbij toen op het perron in Nieuweschans de getroffen reizigers uit de trein werden gehaald. In de bagagenetten in de coupés lagen afgerukte ledematen en onthoofde lichamen werden voor mijn neus afgevoerd. Een verschrikkelijk schouwspel, waar ik de helft toen niet van begreep.

Veilig in de cel

Ook zaten we bij dreigende beschietingen door jachtvliegtuigen regelmatig in één van de drie politiecellen in de kelder van het huis van opper K.. De cellen hadden heel dikke muren en de drie ronde ramen in de cellen waren door aan de buitenkant opgestapelde stropakken nog beter beveiligd. Vanuit deze schuilplaats hebben we twee keer een door mitrailleurvuur geraakte Engelse bommenwerper achter ons huis zich in de grond zien boren. In de landerijen richting Nieuw Beerta. Voor mij toen een spannend en prachtig schouwspel.

Kolen

Ik zal ongeveer 5 jaar geweest zijn, toen we thuis gebrek kregen aan kolen voor de kachels in de kamers. Daar hadden mijn moeder en enkele buurvrouwen (niet de Duitse buurvrouw natuurlijk) het volgende op gevonden: de stoomlocomotieven van de treinen werden gestookt met kolen. Op het spoorwegemplacement in Nieuweschans stonden vaak wagons vol met grote blokken zwarte vette kolen, brokken van 10x20x40 cm.

Voorzien van enkele jutezakken ging ik in tweedonker met moeder en buurvrouwen mee naar de los- en laadplaats voorbij het station. Daar gingen twee vrouwen naast elkaar staan bij zo’n kolenwagon en duwden mij zover omhoog, dat ik de rand van de wagon te pakken kreeg en er bovenop kon klimmen. Grote stukken kolen duwde ik dan naar beneden en die vielen in stukken op de grond en door de dames werd dit in de jute zakken gestopt. Ik moest dan altijd heel stil zijn en twee vrouwen stonden voortdurend op de uitkijk of er ook personeel van ‘t spoor aankwam. Je reinste diefstal natuurlijk, maar…’t was immers oorlog. Pikzwart van die vieze rotkolen gingen we dan weer naar huis en mijn beloning was soms een in een witte aardewerken vorm opgestijfde pudding met aardbeien. De mogelijke gevolgen indien we opgepakt zouden worden voor diefstal speelden voor mij absoluut niet.

Briefjes

We hadden toen aardbeien in onze eigen tuin. De tuin lag achter het spoorbielzenhek tegenover ons huis, tussen dit hek en de spoorlijn naar Duitsland. Soms lagen er kleine met potlood geschreven briefjes in de tuin. Mijn ouders hebben hierover nooit een woord gesproken, maar later besefte ik dat deze briefjes uit de zogenaamde veewagons werden gegooid, wagons waarmee de Joden uit Westerbork werden afgevoerd naar de vernietigingskampen. Velen wisten daar natuurlijk van, maar niemand die wat deed. Was ik toen maar ouder geweest, maar dan nog...?

Bom

In de loop van 1944 werd het te gevaarlijk om bij het station te blijven wonen en besloten mijn ouders in te trekken bij Opa en Opoe Woltermann aan de Parallelweg in Schanze. Van daaruit ben ik een keer met mijn vader naar ons huis aan de Stationsstraat geweest, om onze konijnen op te halen. Juist toen wij bij het pakhuis voor de brug over de Aa waren, kwamen er vliegtuigen over en werd de naast de weg gelegen strokartonfabriek beschoten en viel er een bom in een van de fabrieksgebouwen. Op de brug zagen we een man aan komen rennen, hij werd door kogels of scherven geraakt en was op slag dood. Een eveneens passerende vrouw werd ook geraakt, maar is ondanks de scherven in haar buik nog redelijk oud geworden. Een ook voor mijn vader en mij levensgevaarlijke situatie natuurlijk, daar achter de zijmuur van pakhuis ‘De Dageraad’ van de familie Watermann. Ik heb dat toen niet beseft, maar mijn vader natuurlijk wel.

Na deze aanval op de fabriek zijn we wel doorgegaan naar de Stationsstraat en hebben we nog twee van de circa twintig konijnen meegenomen. De andere konijntjes hadden al een andere eigenaar gevonden. Dat ze gestolen waren, dat begreep ik zeker wel.

Opoe lag drie meter verder

Op een fraaie zondagmiddag, direct na de maaltijd, ging onze familie even buiten zitten voor de voordeur van het huis van Opa. Omstreeks twee uur hoorden we het geluid van afweergeschut in de Carel Coenraadpolder achter Drieborg. Het eerste schot, een V1-projectiel, trof het huis van de familie Kloek aan de Bunderweg en het tweede schot, ja hoor, midden in het huis van Opa en Opoe. Opoe zat op een stoel in de voordeur van het huis en toen de stof en rook optrok, lag ze drie meter verderop op de tegels. De luchtdruk had haar van de stoel geduwd en gelukkig maar, want een grote bomscherf was dwars door de bruine gestoffeerde achterleuning van de stoel gegaan.

Mijn moeder was direct na de inslag bang dat ik aan mijn gezicht was geraakt, want ik hield mijn arm voor het gezicht. Toen ze vroeg of ik pijn had, was mijn antwoord “nee hur, mor t stoft hier ja zo slim en dat wil ik nait in de ogen hebben.” 

Na de inslag was het onmogelijk aan de Parallelweg te blijven en via enkele omzwervingen bij andere mensen (ik heb drie nachten op een aardappelbult in een kelder gelegen) gingen we naar het toen reeds bevrijde Oudeschans. Hier zijn we gebleven totdat de ellende in mei 1945 voorbij was.

Nog altijd goede buren

Overigens, na de oorlog, in 1961 ben ik verloofd en op de receptie in zaal Schanssema in Nieuweschans hebben we een verzilverde taartschep ontvangen van onze vroegere buren Braun, die toen in een klein baanwachtershuisje woonden bij het dorp Bunde.