Verhalen uit de regio

1815-1989

Het 'vrije' Beerta vormde dichter Schierbeek

De één heeft nazisympathieën en is antisemiet: Lucebert. De ander zit in het verzet en ontkomt ternauwernood aan liquidatie: Bert Schierbeek. Beiden richten met Gerrit Kouwenaar, Jan Elburg en Remco Campert na de oorlog De Vijftigers op, een beweging van aanstormend literair talent. Lucebert verzwijgt zijn zwart verleden, Bert niet. Hij is trots op zijn afkomst, zijn jeugd in Beerta. 'De opvoeding bij opa en oma was heel vrij.'

Het 'vrije' Beerta vormde dichter Schierbeek

De jonge Bert Schierbeek met zijn oma Cezar. – Foto uit Bert en het beeld (2000), Karin Evers

Tien dagen na zijn geboorte (28 juni 1918) overlijdt moeder Talje Schierbeek-Cezar aan kraamvrouwenkoorts. Liefdevol nemen opa en oma van moederszijde uit Beerta baby Bert in huis. Vader Herman is op dat moment fulltime onderwijzer in Glanerbrug bij Enschede. De eerste elf jaar zijn voor het verdere leven van Schierbeek (1918-1996) cruciaal, zo zegt hij in een interview met Ischa Meijer: 'Beerta is heel belangrijk voor mij geweest. Die opvoeding was heel vrij. Ik leerde op m'n zevende de charleston, want als je niet kon dansen kon je je niet goed in de maatschappij bewegen, vond mijn grootmoeder. En als je voor je elfde geen sigaret gerookt had, was je een klootzak. Dat was een liberaal milieu. Maar men ging wel naar de kerk, want de kerk hoorde daar ook bij; je sprak er niet over Jezus, maar over het graan, of dat er goed bij stond.'

Zijn opa bestiert een rijtuigenfabriek aan de Hoofdstraat, toen bekend als nummer B503, vlakbij nu de kruising met de Veenweg. Als hij voor zaken naar Winschoten of verder moet, zet hij de Winschoter Courant voor het raam ten teken dat de tram halt moet houden voor zijn deur. Zijn klandizie overschrijdt zelfs grenzen. Tot aan Hamburg heeft hij klanten.

Intens verdriet

Als Bert vier jaar is, overlijdt opa aan maagkanker. Het doet hem pijn want hij mag graag in opa's werkplaats rondneuzen hoe die ijzers om karrenwielen smeedt. Hij herinnert zich het sterven van opa en het verdriet van oma. Zij heeft de dood al vele keren aan huis gehad. Haar drie zoons overlijden onmiddellijk na de geboorte; haar dochter, 26 jaar oud, overlijdt vlak na Berts geboorte. Ondanks dat intense verlies bezoekt zij nooit hun graf; ze gaat (heel bijzonder) niet eens naar hun uitvaart, ook niet naar die van haar man in 1922.

Op zijn elfde verkast Schierbeek naar zijn vader, inmiddels hoofd der school in Boekelo en hertrouwd. Een incident op school luidt het vertrek in. Bert en een vriendje plaatsen een kroontjespen in meesters stoel, waar hij op gaat zitten. Vader Schierbeek acht nu het moment daar om de jonge Bert zelf in huis te nemen. Oma Cezar laat haar oogappel met moeite los, getuige haar woorden bij het afscheid: 'As joe wat neudig hest, mien jong, most moar zeggn.' En dus betaalt zij later Berts ongetemde leeslust. 'Er heerste in dat milieu waar ik opgroeide een soort rechtschapenheid waar je nu raar van opkijkt', roemt Schierbeek (nogmaals tegen Ischa Meijer) zijn jeugd in Beerta.

Hij houdt zijn leven lang een zwak voor Groningen, de taal, het land, het landschap. 'Die strakke openheid van het landschap. Die eindeloze velden, doorkliefd met ongehoord rechte sloten en kanalen maakten mij al op zeer jonge leeftijd rijp voor Mondriaan', schrijft hij eens. Hij dicht ook over het Oldambt in de bundels Weerwerk en Betrekkingen. De Groningse klanken voeden zijn dichtkunst, zijn taalgevoel: 'De klaaikloetn rollen er doorheen.'

hoor ik de stilte
die zij zong
zij zong prachtig
borduurde ook mooi
en haar hele uitzet
op elke sloop
op elk laken
een C voor Cezar
een S voor Schierbeek
en toen ik kwam
ging ze dood

Bert Schierbeek vereeuwigde zijn muzikale moeder in een gedichtfragment (Weerwerk):

Verzetsgroep

In 1941 trekt hij naar Amsterdam en rolt van de ene op de andere dag in de verzetsgroep CS-6, Corellistraat 6. Hij is een handige 'boodschappenjongen' want via connecties in Boekelo kan hij gemakkelijk aan bonkaarten komen. Hij speurt onderduikadressen op alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. 'Och, ik maakte geen verdachte indruk. Op mijn Ausweis stond boerenarbeider. Dat leek wel te passen bij die kop met rimpels,' verklaart hij.

De verzetsgroep pleegt sabotage aan opslagloodsen van gevorderde radio's en probeert treinen met joden te laten ontsporen. Begin 1943 ruimt de groep collaborateurs op en dat wordt hen noodlottig. Bert wordt op tijd gewaarschuwd en ontloopt arrestatie; de rest van de groep wordt geëxecuteerd. Deze verschrikkingen doen hem naar de pen grijpen en hij schrijft het boek Terreur tegen terreur dat in 1945 bij De Bezige Bij verschijnt.

Na de oorlog leeft Schierbeek voor een dichter/schrijver vrij luxueus dankzij de erfenis van opa Cezar. Hij is dan getrouwd met pottenbakster Frieda Koch met wie hij twee kinderen krijgt, Saskia en Michiel. Als hij in Amsterdam woont, neemt hij beginnende dichters als Lucebert en Remco Campert in huis. Hij raakt bevriend met Lucebert maar weet niets van diens sympathieën voor de nazi's en diens antisemitisme. De schilder/dichter legt het in die tijd aan met Frieda, die verliefd op hem wordt.

Oma Micheeltje Cezar-IJzer is ziedend over het bedrog van Frieda en schrijft haar recht uit het hart: 'Nooit, neen nooit had ik gedagt dat je jou zelf zoo kon vergeeten om jou man zoo te bedriegen, met een huisgenoot die jelie gastvrijheid genoot. Jij hebt jou beide lieve kinder een doornkroon op 't hoofd gezet.'

Oma overlijdt in 1962, 95 jaar oud. Kleinzoon Bert is dan vijf jaar getrouwd met zijn tweede vrouw Margreetje van Zutphen, die in 1970 bij een auto-ongeluk om het leven komt, wat hem zozeer aangrijpt dat hij pas twee jaar later aan schrijven toekomt. Hij publiceert dan zijn meest succesvolle bundel: De deur.

Bronnen:
Bert Schierbeek, Weerwerk en Betrekkingen
Karin Evers, De andere stemmen
Ischa Meijer, De interviewer en de schrijvers