Verhalen uit de regio

1648-1989

Het verlaten Luthers oord Winschoterzijl

De Ieren kennen hun deserted villages: verlaten oorden. Hele dorpen gevlucht voor de Grote Hongersnood, half 19e eeuw. Een miljoen Ieren ging scheep naar Amerika, een miljoen stierf de hongerdood. Hun huizen aan de westkust staan nog deels overeind, de daken zijn gesloopt ten teken dat de ziel nooit terugkeert. Een verlaten oord in Nederland is nauwelijks nog herkenbaar, want veelal met de grond gelijk gemaakt. Zoals Winschoterzijl, ooit bevolkt door vooral uitgeweken lutheranen.

Het verlaten Luthers oord Winschoterzijl

Het 'Van Goghbruggetje' van Winschoterzijl in 1974. – Foto: Collectie Groninger Archieven

Het veen lokt. De turf in de nog woeste Veenkoloniën ligt voor het oprapen en dat trekt pioniers aan. Van overal en nergens. De één is op de vlucht, de ander zoekt het avontuur. Een allegaartje aan handelaren, veenarbeiders en soldaten zoekt zijn heil over de grens. De Dertigjarige Oorlog (1618-1648), een godsdiensttwist tussen katholieken en protestanten, drijft vervolgde lutheranen uit Noord-Duitsland naar het Westen. Een deel strijkt neer in de buurt van wat ooit een schans was, Winschoterzijl; daar waar de riviertjes Rensel en Pekel A samenkomen.

Niet zonder reden kiezen zij die plek uit. Winschoterzijl ligt op het grondgebied van Westerwolde, net buiten de invloedssfeer van de stad Groningen. Het Groningse stadsbestuur is streng in de leer en tolereert geen immigranten. Koning-stadhouder Willem III die Westerwolde bestiert, geeft de lutheranen vrij spel en staat de bouw van een kerk toe. Brouwer Zacharias Feltrup stelt een schuur beschikbaar en in 1695 verrijst daar een eenvoudige kerk, zonder toren, zonder orgel, maar mét preekstoel.

Het godshuis trekt als een magneet. Van heinde en ver stromen de kerkgangers toe, vooral uit de Pekela’s. Maar hun tocht is niet zonder gevaar. Te voet is het al een hele reis, met name in herfst en winter als de zandpaden nagenoeg onbegaanbaar zijn. De gelovigen kiezen dan voor de 'snikke' (trekschuit) maar als een keer de boot kantelt en met alle passagiers zinkt, geloven ze het wel. Niemand verdrinkt, het is hoog zomer maar als het des winters was gebeurd, aldus het notulenboek, 'dan zou de ramp niet te overzien zijn geweest.'

Geharrewar

De gelovigen in Pekela steken de koppen bij elkaar en hebben maar één wens: een eigen kerk op de grens van Oude en Nieuwe Pekela. Aldus geschiedt ook, maar pas na enig geharrewar met de geloofsgenoten in Winschoterzijl. De dominee daar is zeer verontwaardigd over de afscheiding en tekent protest aan bij het hoogste orgaan der lutheranen, het centraal bestuur in Amsterdam. Dominee Gerhard Müller uit zijn verontwaardiging in een tweetal brieven en schrijft denigrerend: ’’Het zijn overmogende menschen.’’ Het Amsterdams Consistorie steunt hem en weigert financiële hulp. Men denkt dat Pekela niet levensvatbaar is. De Pekelders zetten ondanks die tegenwerking door en bewijzen het tegendeel. Op 22 juli 1762 wordt de eerste steen gelegd voor een eigen kerk, met dank aan gulle gevers uit het naburige Duitsland.

Het is wellicht een speling van het lot als omstreeks 1820 het kerkbestuur in Winschoterzijl zich beraadt over verhuizing naar de stad Winschoten. Napoleon kondigt immers vrijheid van godsdienst af en omdat de buurtschap amper groeit, is verplaatsing van de kerk een optie. Steen voor steen wordt het kerkje afgebroken en in 1836 aan de Vissersdijk herbouwd. Van wat over is aan materiaal laat het gemeentebestuur van Winschoten het tunneltje in het Sterrebos bouwen. Preekstoel, avondmaalsbeker, banken en gedenksteen verhuizen echter mee naar het nieuwe onderkomen.

Van Goghbruggetje

Halverwege de 19e eeuw is Winschoterzijl nog aardig bewoond: negen huizen met in totaal 69 bewoners, verspreid over drie gemeenten; Wedde, Beerta en Winschoten. Wedde eist het merendeel op, zes huizen en 38 bewoners. Op Winschoter grondgebied staat slechts één huis, maar dat herbergt wel twaalf mensen. De buurtschap is een minidorpje op zich met twee watermolens, een stoomgemaal en als blikvanger de houtzaagmolen (1811) van Dallinga.

Rond sluis en brug speelt zich het dagelijkse leven af. Tot diep in de jaren tachtig fungeert Roelf Nijboer als brug- en sluiswachter. Voor dertig gulden per jaar huren hij en zijn vrouw Zwanie het sluiswachterhuisje van de gemeente Winschoten. Zijn taak is het om het in de volksmond bekendstaande ’Van Goghbruggetje’ te openen voor passerende schuiten. Zwanie houdt wel van de stilte en de ruimte rondom. Eenzaam is ze niet, vertelt ze in het tijdschrift Oud Winschoten: 'Ik moet er niet aan denken, al die mensen voor de kassa bij de supermarkt.' Eens in de twee weken gaat zij noodgedwongen ’op boodschap’ in de Grote Stad.

Als het Winschoterdiep verbreed wordt, verliest Winschoterzijl zijn functie als woonkern. Huizen worden stuk voor stuk afgebroken, het laatste in 1992. Het karakteristieke, sierlijke bruggetje (1870), het oudste, nog bestaande gietijzeren ophaalbruggetje van Nederland, krijgt een nieuwe stek, aan de Renselkade bij de McDonald’s.

Winschoterzijl is niet meer, de natuur is daar nu heer en meester. Kortom, een oord van vredigheid. Een oord zoals de eerste lutheranen dat ooit bedoelden. Op de gedenksteen boven de ingang van hun kerk lieten zij in Latijn een nobele gedachte beitelen: ’Vrede voor hen die binnengaan, heil voor hen die uitgaan.’