Het hunebed bij Delfzijl

Het was een volslagen verrassing, de vondst in 1983 van een hunebed in Heveskesklooster (gemeente Delfzijl). Onder een wierde, een kleilaag en een dik pakket veen kwam een heus hunebed tevoorschijn. Vijfduizend jaar geleden was hier bewoning geweest op een zandrug die onder al die bodemlagen verscholen was geraakt. Delfzijl kreeg een uniek museumvoorwerp: een hunebed.

Het hunebed bij Delfzijl

Het hunebed van Delfzijl, opgesteld in het Muzeeaquarium in Delfzijl.

Opgraving

In het industriegebied te oosten van Delfzijl lag ten zuiden van de fabriek van Kawecki-Billiton een wierde waarop in de middeleeuwen het klooster Oosterwierum (ook bekend als Heves-kesklooster) had gestaan. De fabriek wilde uit-breiden en had een optie op dit terrein. Het havenschap moest daarop een archeologische opgraving van de wierde betalen.

Het gevolg was een zeven jaar durende opgraving onder leiding van drs. J.W. Boersma van het Biologisch Archaeologisch Instituut en het Groninger Museum. Vele jaren was de auteur als student-assistent betrokken bij dit werk. De wierde en de kleiondergrond werden afgegraven tot op het veen, waarin zich de diepere sporen prachtig aftekenden. Er werden daarbij grote werkputten aangelegd.

Tijdens dit werk viel het op dat een kloeke kei niet door de graafmachine in de grond werd weggedrukt. Half schertsend werd er gezegd dat dit een hunebed moest zijn. Uiteindelijk gaf een proefputje uitkomst. Hierin werden een bijltje en enkele scherven uit de trechterbekercultuur aangetroffen.

De trechterbekercultuur kenmerkt zich door aardewerk met een trechtervormige boven-kant en door megalietgraven. Dit zijn graven gemaakt van grote stenen, die algemeen bekend staan als hunebedden. Het havenschap moest met opgewekte tegenzin nog meer betalen en Delfzijl kreeg in het museum een zwaar kostbaar geschenk. Een echt hunebed. Dat wordt in het Drents museum tevergeefs gezocht. De Drentse hunebedden staan alle in het vrije veld. Alleen in het Hunebedcentrum in Borger is een steenkist, maar ook die komt uit Delfzijl.

Het hunebed bij Delfzijl kreeg officieel het nummer G 5. De hunebedden G 1 tot en met G 4 liggen in de gemeente Haren. Alleen G 1 is nog zichtbaar. Kortom: er is in Delfzijl iets unieks te zien.

Het hunebed

In het begin van de opgraving werd gehoopt dat er een geheel ongeschonden hunebed zou liggen. Immers de hunebedden in Drenthe hebben altijd aan het oppervlak gelegen. Door de eeuwen heen hebben mensen daar in gekeken, gegraven, soms een steen onttrokken; kortom ongeschonden zijn die niet.

Onder dat dikke pakket van klei en veen was het hunebed van Delfzijl in elk geval de laatste vier duizend jaar onbereikbaar geweest. Maar helaas hebben, voor de groei van het veen begon, mensen dit grafmonument bezocht en de inhoud verrommeld. Het aardewerk was kapot en een bijl gebroken. Er was duidelijk gezocht naar zaken die opnieuw te gebruiken waren. Een kenmerkende maalsteen van graniet herinnert aan hun aanwezigheid.

Om zo goed mogelijk inzicht in de beide monumenten te krijgen, is elke vierkante meter grond in en direct om het hunebed gezeefd. Geen kraaltje zou zo aan de aandacht van de onderzoeker ontsnappen. Het was een enorme klus waarmee een grote groep studenten en onderzoekers onder leiding van drs. Jan Lanting in de weer was. Vier zeven stonden tot hun beschikking.

Hunnebedden zijn er in verschillende vormen en maten. Het exemplaar van Delfzijl wordt door de vaklui geklasseerd als een ‘dolmen’ met een grafkamer van 2,7 m lang bij een breedte die varieerde van 1,10 to 1,50 m. De steenkist, een veel eenvoudiger monument van zwerfkeien, is 3 m bij 0,80 m groot. De vondsten bestonden vooral uit scherven trechterbekeraardewerk, vuurstenen werktuigen en ‘afslagen’, enige kraaltjes van barnsteen en enkele kleine stenen bijlen. De steenkist werd aan de hand van het aardewerk gedateerd op 3200 en 2950 voor Christus. De dolmen is nog niet uitvoerig gepubliceerd en kan iets ouder zijn. Rond 3000 voor Christus hebben op deze locatie dus mensen gewoond, akkers bebouwd en doden in het hunebed bijgezet.

Verdronken steentijdland

Het steentijdlandschap van Heveskesklooster en ruime omgeving is op een gegeven moment ‘verdronken’. Door de stijging van de zeespiegel, tengevolge van het smelten van de ijsbedekking van de ijstijd, liep niet alleen de Noordzee vol met water, maar steeg ook de grondwaterspiegel in het achterland. In de lagere delen ontstonden venen die langzaam omhoog groeiden en de hele omgeving bedekten. Tussen 2435 en 2135 voor Christus begon ook op de hooggelegen locatie Heveskesklooster de groei van het veen. Het eens bewoonbare gebied werd een immens veenmoeras.

Enkele eeuwen voor het begin van onze jaartelling werd dit veen deels overspoeld door de zee. Afzettingen van klei waren het gevolg. De oeverwallen van de Eems, die met de zeespiegel waren meegegroeid, breidden zich landinwaarts uit. Hier ontstond een kwelderlandschap met wierdebewoning, waaronder een kleine ter plaatse van Heveskes. In de Middeleeuwen werd deze wierde ten behoeve van het klooster uitgebreid. Het klooster verdween, boerderijen kwamen er voor in de plaats en in 1982 begon de opgraving waarmee het verhaal rond is.

Het hunebed is inmiddels verplaatst naar een andere locatie in het vernieuwde museum en zal straks weer een topattractie zijn in Delfzijl.

De Stichting Verdronken Geschiedenis organiseerde in het kader van het project ‘Verhalen van de Eems-Dollard kust’ in het najaar van 2016 avonden, middagen en excursies waarop zeer uiteenlopende verhalen uit de geschiedenis van deze kustregio werden verteld.

Bronnen:
J.W. Boersma, 1988: Een voorlopig overzicht van het archeologisch onderzoek van de wierde Heveskesklooster (Gr.). In: M. Bierma e.a. (red.) Terpen en wierden in het Fries-Groningse kustgebied. Groningen, 61-67.
J.A. Bakker, 1994: Eine Dolmenflasche und ein Dolmen aus Groningen. In: J. Hoika & J.Meurers-Balke (red.) Beiträge zur frühneolithischen Trichterbecherkultur im westlichen Ostseegebiet. Neumünster. 71-78. H.K. Kamstra, J.H.M. Peeters & D.C.M Raemaekers, 2016: The neolithic stone cist at Heveskesklooster (prov. of Groningen, The Netherlands). Palaeohistoria 57/58, 37-53.