Een Veendammer schipper met heel veel pech

In het leven kan het soms behoorlijk tegenzitten. Dat ondervond schipper Wijndelt Roelof Suk uit Veendam met zijn smakschip De Drie Gebroeders. In 1770 was hij vanuit de Poolse haven Stettin maar liefst een jaar lang onderweg met een lading hout die hij moest afleveren in Amsterdam.

Een Veendammer schipper met heel veel pech

Een smakschip (links) zoals dat van de onfortuinlijke Veendammer Wijdelt Roelof Suk. – Prent van Adolf van der Laan (1728 – 1761), collectie Rijksmuseum

‘In tegenstelling tot veel andere Oostzeevaarders is hij niet rijk geworden van het varen. Stormen, averij, tegenwind in letterlijke zin en andere vormen van pech achtervolgden hem met enige regelmaat. Maar hij was wel een standvastig iemand. Zodra hij een lading had ingenomen en los was van de kade had hij maar één gedachte: de goederen die ik aan boord heb moeten onbeschadigd en op tijd worden afgeleverd bij de klant’. Aan het woord is Arjan Westera, woonachtig aan de Poststraat in Stadskanaal. De 47-jarige, tot archivaris opgeleide Knoalster is een nazaat van schipper Suk. Van moeders kant. Sinds het jaar 2000 doet Westera familieonderzoek naar zijn voorouders. Hij is gekomen tot 1650 en stuitte tijdens zijn zoektocht op het opmerkelijke verhaal van zijn betbetovergrootvader Wijndelt Roelof.

Baltische staten

Schipper Suk voer veel op de Oostzee. Vaak vanuit de Baltische staten en Polen naar Amsterdam. Met allerhande lading. In 1770, op 18 september, vertrok hij vanuit Stettin (Szczecin in het Pools) met tientallen pakketten hout aan boord. De eindbestemming was opnieuw Amsterdam. Op de 23e passeerde het schip de Sont, de zeestraat tussen Denemarken en Zweden. Direct hierna kwamen vaartuig en bemanning in een zware storm terecht. Het schip raakte lek aan bakboord. De bemanning week uit naar Noorwegen, waar De Drie Gebroeders op een werf gerepareerd moest worden. Toen Suk na de reparatie weer wilde uitvaren, kreeg hij te maken met een ongunstige wind. Pas op 16 oktober kon het schip Noorwegen achter zich laten.

Drinkwater

Maar al na een dag varen raakten boot en bemanning opnieuw in hevige stormen verzeild. Hoge golven sloegen over De Drie Gebroeders. Met man en macht kon het vaartuig met pompen drijvende worden gehouden. Omdat het drinkwater op raakte zagen de opvarenden zich genoodzaakt voor de Deense plaats Holms voor anker te gaan. Vanaf de vaste wal kwam vrij vlot een scheepje poolshoogte nemen, maar toen dat echter vernam dat het alleen om drinkwater ging, maakte het zonder hulp te verlenen rechtsomkeert. Uiteindelijk besloot schipper Suk in Holms aan wal te gaan.

Delfzijl

Pas eind oktober werd vanuit het Deense plaatsje weer zeil gezet. Suk besloot Delfzijl aan te houden, om daarna ‘over de Watte’ (de Waddenzee) de reis naar Amsterdam voort te zetten. Er volgde echter opnieuw tegenslag. Aangekomen op de Eems maakte het schip opnieuw water. Tot overmaat van ramp brak ook nog eens het ankertouw en half november stak andermaal een storm op. Uiteindelijk moest de lading worden gelost en in gedeeltes worden overgebracht naar Delfzijl. Pas rond 1 december kon koers worden gezet naar de Wadden.

Stuurman van boord

De tegenslagen waren nog steeds niet voorbij. Op de Wadden liep het schip vast en belandde het in het slijk. Direct daarna viel de winter in. Rond half januari 1771 kon de reis pas worden vervolgd. Aangekomen in Zoutkamp hield de stuurman het voor gezien: hij stapte van boord en keerde niet terug. Gewacht moest worden op een vervanger. Na weer koers te hebben bepaald, liep de boot opnieuw aan de grond. Ook keerde de vorst terug. Op 13 april wist Suk zijn schip met hulp van tien vrijwilligers weer in open water te krijgen. Omdat De Drie Gebroeders nog steeds lekkages vertoonde, moest extra bemanning worden ingehuurd voor het bedienen van de pompen. Tot begin juni lag het schip in Groningen op een werf om weer gerepareerd te worden.

Rekening

Toen de opvarenden wilden vertrekken, bleek dit niet te mogen: de rekening van de scheepstimmerman was nog niet voldaan. Pas op 30 augustus werd toestemming gegeven om de zeilen te hijsen en op 20 september bereikte De Drie Gebroeders Amsterdam. De reis van Stettin naar de Nederlandse hoofdstad had maar liefst een vol jaar en twee dagen geduurd. In januari 1772 deed de Bank van Assurantiën en Avarijen uitspraak wie moest opdraaien voor de schade. Achteraf heeft Wijndelt Roelof Suk aan de reis geen cent verdiend, integendeel. Hij werd gesommeerd een bedrag te betalen van 797 gulden. Een deel van alle geleden schade.

Met dan aan Arjan Westera