Grensland

1940 tot 1945

Een tienjarige op zoek naar een onderduikadres

Op 15 november 1944 weigerde het gemeentepersoneel van Haren een opdracht van de bezetter uit te voeren. Die weigering had verregaande gevolgen. De gemeentesecretaris betaalde met zijn leven, de andere ambtenaren wisten onder te duiken. Ook voor hun gezinnen brak een moeilijke tijd aan: ze liepen gevaar. Waar moesten ze heen?

Een tienjarige op zoek naar een onderduikadres

Het gemeentehuis van Haren, waar de vader van Marten de Jong werkte, 1935. - Foto: (1986-7709) collectie Groninger Archieven

Marten de Jong werd geboren in Haren in 1934, als derde zoon in het gezin. 'Ik was zes jaar bij het uitbreken van de oorlog. We woonden aan de Westerse Drift. Mijn vader was gemeenteambtenaar in Haren. Hij werkte samen met onder andere Eemke van der Veen, die in Haren de chef van de ondergrondse was. [Van der Veen werd op 2 mei 1944 opgepakt en op 22 augustus gefusilleerd in Kamp Vught]. In november is het voltallige gemeentepersoneel ondergedoken. Dat kwam nadat ze van de NSB-burgemeester de opdracht kregen om een lijst op te stellen met namen van mannen die tewerkgesteld konden worden in Duitsland. Dat weigerden ze allemaal. De gemeentesecretaris [Pieter Wierenga] waarschuwde: 'Als we dit weigeren, lopen we allemaal gevaar.' Alle ambtenaren moesten met hun gezinnen onderduiken.

De secretaris vluchtte zelf op de fiets, maar werd aangehouden door Landwachters. Hij had de pech dat hij in zijn bagage een kistje met sigaren had. De Landwachter vroeg zijn naam en toen hij die gaf, belde deze naar het Scholtenhuis. De SD'er Lehnhoff is hoogstpersoonlijk naar Vries gereden en heeft Wierenga ter plekke vermoord. [Een andere bron noemt SD'er Ernst Knorr als dader]
Ook mijn vader werd door de Landwacht aangehouden, hij was onderweg naar Friesland. Hij had een broer van mij bij zich en vader hing een verhaal op dat hij zijn zoon ging wegbrengen omdat hij niet genoeg eten voor hem had. Dat was onzin, maar de Landwachter geloofde het.'

Waarheen?

'Ons gezin moest ook weg. Het huis werd in beslag genomen. Mijn moeder en oudste broer werden gearresteerd en hebben veertien dagen in het Huis van Bewaring gezeten aan de Hereweg, als gijzelaars. Daarna zijn ze vrijgelaten; ze wisten echt niet waar vader was.

Ons onderduikmoment was compleet onvoorbereid, we moesten maar zien hoe we ons redden. Vader weg, moeder en broer gearresteerd...
Ik ben met mijn zusje, dat in 1943 was geboren, naar Groningen gestuurd, naar grootmoeder die daar met haar ongetrouwde dochter woonde. Zij hadden allebei TBC. Ik kwam daar onverwacht, grootmoe lag in de bedstede in het kleine huisje aan de Westerbadstraat. Ze waren allebei helemaal van de kook. 'Wat moeten wij met dat jongetje en zijn zusje? Wat moeten we daarmee aan?' Eigenlijk was er voor mij geen plaats. Mijn zusje kon in haar kinderwagen slapen, maar hoe en waar ik de nacht ben doorgekomen, weet ik eigenlijk niet meer.

Het was een heel vervelende situatie en ik kon daar niet blijven. Ik ben lopend teruggegaan naar Haren. Waar moest ik heen? Ik probeerde het bij een vriendje maar dat kon niet; ze hadden daar zelf veel kinderen en de vader was gehandicapt. Nog een adres, maar daar kon ik ook niet terecht. Toen ben ik maar weer teruggegaan naar Groningen.'

Onderduik

'Hoe is het uiteindelijk gegaan? Ik weet het niet, het is doodgezwegen na de oorlog. Misschien via kennissen van de doopsgezinde kerk. Ik ben ondergebracht in Onnen, bij verre familieleden die ook bevriend waren met mijn ouders. Hun eigen kinderen waren ouder en waren de deur al uit. Hun zoon heette ook Marten en toen werd ik Max.

Mijn moeder zat met mijn andere zusje bij kennissen in Haren, mijn broer bij een oom in het Friese Bergum. Mijn oudste broer heeft een hele tijd rondgezworven. Van familie in Friesland langs veel kennissen tot uiteindelijk een adres in Engelbert. Hij kwam in een zwaar gereformeerd gezin terecht en omdat wij thuis doopsgezind waren, werd hij daar min of meer als heiden beschouwd. Dat vond mijn broer helemaal niet leuk en hij is daar niet lang gebleven. Tussen november '44 en de bevrijding heb ik geen contact gehad met mijn vader. Ook met mijn andere broers was het contact minimaal. Pas na de bevrijding zag ik hen weer.'

'Zelf heb ik het in Onnen heel goed gehad. Het enige vervelende was dat ik naar Haren moest lopen om naar school te gaan, in die strenge winter. De school zelf was gevorderd. Nu eens kregen we les bij de tandarts, dan weer bij de dokter in de wachtkamer. Ik zat in de vijfde klas, er was nauwelijks onderwijs, maar een echt bezwaar vond ik dat niet!
We hielden als kinderen wel van een verzetje. De geallieerden voerden aanvallen uit op het rangeerterrein van Onnen en die volgden we van dichtbij. De vliegtuigen vlogen laag over. Na afloop gingen we dan kogels en hulzen zoeken.'

Bevrijding

'De Canadezen kwamen vanuit het zuiden. Ze reden met hun carriers Onnen binnen, maar ze reden gewoon door.
Toen we terug wilden naar ons huis in Haren kon dat niet, het was bezet door de Canadezen. Die hadden het overgenomen van NSB'ers, die erin waren gaan wonen nadat wij in onderduik waren gegaan. Mijn vader heeft uitgelegd hoe het zat en dat het huis zijn particuliere bezit was. De officieren vonden het logisch en zochten een ander huis.
Vlak na de bevrijding zijn we met het gezin verhuisd naar Nieuweschans, dat is bevrijd door de Polen. Elk jaar vierden we daar de bevrijding in aanwezigheid van een Poolse officier, die daar met een Nederlands meisje was getrouwd. De kinderen zongen dan het Poolse volkslied, ik ken het nog steeds: 'Marsz, marsz, Dąbrowski...', al hadden we geen idee wat het betekende.'

 

Dit verhaal werd op 10 april 2019 verteld door Marten de Jong (1934) tijdens het verhalencafé in woonzorgcentrum De Holm in Haren.