Verhalen uit de regio

1300-1815

Een Bourtanger held in het Westerkwartier

In de kerk van Doezum hangen twee wapens: een helm en een zwaard. Ze zijn afkomstig van een edelman die een held werd: Bernhard Johan Prott, geboren op 29 september 1632 in Groningen en overleden 23 februari 1703 te Lutjegast.

Vader Anton Günther van Prott was hertog van Oldenburg en Delmenhorst, geboren omstreeks 1600 te Osnabück. Na een studie in Rostock vertrok hij naar Groningen en was daar op 23-jarige leeftijd luitenant onder kapitein Stuit. Hij trouwde er in 1631 met de adellijke ‘juffer’ Hibernia Scholes, van Schotse afkomst, maar geboren te Groningen. Prott sneuvelde twee jaar later als commandant van Maastricht en werd daar begraven in de Sint Matthiaskerk. Hibernia hertrouwde in 1636 een edelman in Schotland.

Vroege carrière

Nog tijdens het verblijf van Anton Günther en Hibernia in Groningen werd zoon Bernhard Johan geboren. Hij trad in de voetsporen van zijn vader en startte, zoals zoveel jongemannen van ‘goede huize’ destijds, een militaire carrière. Als achttienjarige werd hij vaandrig (aspirant-cavalerieofficier) in dienst van bisschop Bernhard von Galen van Münster, Bommen Berend. Kort daarop, in 1657, was hij ‘cornet’ (lage cavalerieofficier) in Zwitserse dienst. Het jaar erop was hij onder de Deense Koning ‘capitain lieutenant te paerde’. Weer een jaar later was hij in Zweedse dienst. In 1661 vocht hij in Hongarije tegen de Turken en toen spoedig daarop de vrede werd gesloten, keerde Prott terug naar Oldenburg.

In 1665 werd Prott door het gewestelijk bestuur van Groningen benoemd tot ‘capitain’ bij het garnizoen van Groningen, één van de regimenten van het Staatse Leger van de Republiek. Tijdens de Tweede Engelse Oorlog (1665-1667) werd zijn compagnie op de vloot geplaatst. Zo maakte hij de beroemde tocht naar Chatham (1667) onder Michiel de Ruijter mee, die de Engelsen een vernederende slag toebracht. Na het sluiten van de Vrede van Breda, 31 juli 1667, keerde Prott terug naar Groningen, waar hij in 1669 trouwde met Albertina Lucretia Schnabel. In 1671 was hij sergeant-majoor in het 10e regiment te Groningen onder luitenant-kolonel Aernout Huinga.

Tegenover de bisschop

Tijdens het ‘Rampjaar 1672’ was de Republiek in oorlog met vier buitenlandse mogendheden: Engeland, Frankrijk en de bisdommen Münster en Keulen. Troepen van de beide laatstgenoemden bedreigden Groningen. Op 26 januari was Prott als kapitein van een compagnie voetknechten naar Hessen-Kassel gestuurd om de ervaren Boheemse ‘ijzervreter’ Carel Rabenhaupt naar Groningen te halen om de verdediging van de stad en het gewest op zich te nemen. Deze arriveerde op 29 mei in de Stad. Alle verdedigingswerken aan de provinciegrenzen werden versterkt. Daarbij nam de schans Bourtange, als enige doorgang door het uitgestrekte Bourtanger Moeras van Munsterland naar Groningen, een belangrijke strategische positie in. Prott was op 23 mei benoemd tot waarnemend commandant van die vesting. Om veiligheidsredenen stuurde hij zijn echtgenote naar Groningen.

Juist toen de fortificatiewerkzaamheden klaar waren, op 17 juli, arriveerde Protts vroegere broodheer, de bisschop van Münster. Deze had al veel grensversterkingen veroverd en dacht Bourtange makkelijk in te nemen.

'Gouden' bombardement

Toen Prott niet op de eisen van bisschop Bernard von Galen inging, probeerde deze het – volgens overlevering – met een ‘gouden bombardement’: een bod van 200.000 guldens of een adellijk landgoed in Westfalen. Naar overlevering antwoordde Prott: '200.000 kogels kun je krijgen!'
Bourtange doorstond de daaropvolgende beschietingen en aanvallen dermate goed dat de bisschoppelijke troepen afdropen. Von Galen trok verder en belegerde Groningen, waar het ‘Bonte Huis’ van Sicco Lewe op de hoek Vismarkt/Pelsterstraat in juli werd getroffen door een bom. Daarbij kwam ironisch genoeg Protts vrouw Albertina om.

Uiteindelijk gaf Von Galen ook de belegering van Groningen op en volgde het ‘Gronings Ontzet, op 28 augustus, de huwelijksdatum van Protts ouders.

Latere jaren

Prott werd de held van Bourtange en ontving in 1673 voor zijn verdiensten 1315 caroliguldens. Het jaar daarop werd hij luitenant-kolonel onder Arent Ludolph van Gockinga. Na 1678 verbleef hij als militair in onder meer Kampen, Zwolle en Hasselt en in het zuiden. Na Gockinga’s overlijden werd hij in 1686 kolonel van het regiment Stad en Lande.

Inmiddels had Prott in 1675 de heerd Rikkerda bij Lutjegast gekocht, waar hij het jaar erop een huis liet bouwen, dat in de omgeving bekend werd als ‘Borg Rikkerda’. Drie jaar later trouwde hij met jonkvrouw Frederica Tjarda van Starkenborch, die in 1687 overleed. Ruim een jaar later huwde hij jonkvrouwe Cecilia Elisabeth Tamminga, dochter van Onno Tamminga van Ludema bij Usquert en weduwe van jonker Daniel de Hertoghe.

Laatste jaren

Over Protts verblijf op Rikkerda is weinig bekend. Als militair was hij veel elders, maar hij verbleef er in ieder geval in 1695 en 1698. In 1703 overleed hij er. Destijds was het gebruikelijk dat bij de begrafenis een wapenrusting, voor die gelegenheid zwart gemaakt, achter de kist werd meegedragen. Bovendien werd een rouwbord met familiewapen boven de voordeur van Rikkerda aangebracht. Het rouwbord met daarboven de helm en het zwaard werden later in de kerk van Doezum geplaatst. Zo is daar nog altijd de herinnering zichtbaar aan de held van Bourtange.

 

Literatuur:
Geeske Koeman-Poel, Bourtange, schans in het moeras (Hoogezand 1982).
C.P.L. Rutgers, ‘Bernhard Johan van Prott en zijne verdediging van het fort Bourtange’, Groninger Volksalmanak (1901) 165-186.
T. (Tilbusscher), ‘Bernhard Johan van Prott. Verdediger van het fort Bourtange in 1672’, Nieuwsblad van het Noorden, 2 november 1935.