Oorlog in Stad en Ommeland , Verhalen uit de regio

1914-1945

'De oorlog stal mijn jeugd'

Ze werd geboren in Blijham in 1926 en vertelt bewogen over vrijheid én teleurstelling. Een vlinder die niet vliegen mocht.

'Om uit te leggen hoe ik de bevrijding beleefde, moet ik beginnen bij mijn kinderjaren. Ik groeide op in een arm gezin, had vier oudere zussen. Met de oudste scheelde ik 22 jaar, met de jongste zeven. Ik was een nakomertje. Moeder zette zich voor 200 procent in voor de verzorging. De huur werd altijd betaald, mijn kleren werden versteld, ik had geen honger, maar er was geen geld voor cadeautjes of voor zakgeld en geen tijd voor liefde. Dat neem ik mijn moeder niet kwalijk; ze heeft zelf een harde jeugd gehad.

Al jong werd mij verteld dat Sinterklaas niet bestond. Ik moest op school maar zeggen dat ik zoveel had gekregen dat ik niet meer precies wist wat. We waren thuis niet gelovig. Toch ging ik een paar maanden voor Kerst naar zondagsschool, want daar kreeg je bij de kerstviering een cadeautje. Gelukkig viel mijn verjaardag in de zomervakantie, daardoor kwam ik zonder uitleg onder het trakteren uit. Omdat ik oude ouders had, mocht ik nooit vriendinnetjes meenemen, dat was te druk. Wat had ik in die tijd graag een echte hartsvriendin gehad.
Mijn ouders hielden wel van muziek, we hadden in 1932 al een radio. De meeste zussen hadden, net als ik, dansbenen; ze gingen vaak naar dansavonden en leerden mij de polka en de wals.
Ik keek zo uit naar de tijd na de lagere school! Ik verheugde me op de dansles, wilde me ontwikkelen en heel veel te leren, wilde mijn vleugels uitslaan!

Het werd 1940. Op een dag stond vader bij de weg. Er kwam een grote zwerm vliegtuigen over. ‘Da’s mis,’ zei vader. Langzaam veranderde mijn leven. De oorlog sloop binnen. Naar Winschoten gaan was altijd een uitje; nu liepen er soldaten, heel bedreigend. In de winkel waren dingen soms gewoon niet meer te krijgen.
Ik voelde me belemmerd in de ontwikkeling die ik zo graag wilde doormaken. Op mijn dertiende ging ik uit werken. In de huishouding bij een boerenfamilie, van maandag tot en met vrijdag elke dag van 08.00 tot 12.00 uur. In 1942 ging ik van mijn eigen geld naar de Handelsavondschool in Winschoten. Met de tram, die hier toen nog reed. Ik zeg avondschool, maar de lessen waren ’s middags, vanwege de ingestelde avondklok. Ik deed het goed op school, maar na een jaar ging de school dicht. Het gebouw was gevorderd door de Duitsers, er moesten soldaten in.

Muziek werd verboden, de danslokalen bleven dicht. Er waren ook geen toneeluitvoeringen meer om naar toe te gaan. Ik wist dat er stiekem dansfeestjes gehouden werden, ergens in een boerderij. Maar ik hoorde niet bij zo’n vriendinnenclubje. Ik heb me vaak eenzaam en buitengesloten gevoeld in de oorlog. Wie kon je nog vertrouwen? Mijn enige uitje was de film. Duitse films mochten wel gedraaid worden. Je moest dan eerst door een flinke portie Duitse propaganda heen, die vooraf werd vertoond, maar de films waren prachtig; ik kan ze nog dromen.
In die tijd praatte ik wel tegen de maan: wanneer is dit afgelopen?

We woonden een eindje van de weg en een buurmeisje kwam vertellen dat we bevrijd waren. Van het moment van bevrijding, de tanks over de doorgaande weg, hadden we niets gemerkt.
Langzaam drong het door, dat moest echt even wennen. Ik heb daarna de zolen onder mijn schoenen weggedanst. De bevrijders organiseerden dansfeesten in Hotel Dommering in Winschoten. Die feesten waren alleen voor vrouwen. Ik ging samen met mijn zus. We gingen alleen dansen, als je binnen bleef was er niets aan de hand. Niet naar buiten gaan met zo’n soldaat was de waarschuwing die ik meekreeg. Als je ten dans gevraagd werd, kreeg je vaak een sigaret aangeboden. Ik rookte niet, dus die verdween in mijn tas. Om elf uur stond mijn zwager buiten te wachten om ons op te halen. We konden hem dan vaak wel twintig sigaretten geven.

Na de oorlog heb ik verschillende cursussen gedaan, zoals algemene ontwikkeling. Maar het niet naar school gekund hebben was een enorme belemmering voor mijn latere ontwikkeling. Als kind droomde ik van het circus, van uitbundigheid, van dansen, maar de oorlog stal mijn jeugd. In plaats van ontplooiing, leerde ik mezelf indekken, mezelf beschermen en vooruitdenken.
Weer vrij zijn was een goed gevoel, er viel een zware last van mijn schouders. Maar het verdriet over mijn gestolen jeugd zou ik mijn hele leven bij mij dragen.'

De identiteit van de geïnterviewde is bekend bij De Verhalen van Groningen; zij wil haar naam liever niet bekend maken. Dat respecteren wij.