Groninger kerken

500-1815

De Mariakerk van Oosterwijtwerd

De Mariakerk is één van de oudste bakstenen kerken die Groningen rijk is. Dat is te zien aan de kloostermoppen (grote rode handgevormde bakstenen), de ronde romaanse vensters en de aanwezigheid van een 'noormannenpoortje’.

De Mariakerk van Oosterwijtwerd

De Mariakerk in Oosterwijtwerd, waar de Ripperda's hun sporen nalieten. – Foto: Marketing Groningen

De kerk moet aan het eind van de twaalfde eeuw gebouwd zijn, hoewel uit onderzoek blijkt dat het eikenhout van de daksporen uit 1237 stamt. De oorspronkelijke kleine vensters aan de noordgevel zitten erg hoog, vrijwel tegen het dak aan, wat erop kan duiden dat het kerkje oorspronkelijk hoger moet zijn geweest. Later vond men deze vensters te klein en bracht men, om meer licht te krijgen, drie nieuwe grote rondboogvensters aan in de zuidgevel en een vierde aan de noordkant. Opvallend is ook het grote ronde koor, waaronder latere borgheren een grafkelder lieten aanbrengen. Het middelste koorvenster is gedicht voor een groot, met familiewapens omlijst, zandstenen grafschrift (epitaaf) voor Gijsbert Herman Ripperda (1695).

Oorspronkelijk stond er naast de kerk een vrijstaande klokkentoren, maar die is in 1664 ingestort tijdens het klokluiden voor het overlijden van stadhouder Willem Frederik. In plaats daarvan is er een eenvoudige dakruiter op de kerk geplaatst met het wapen van de Ripperda’s als windvaan.

De kerk was gewijd aan de maagd Maria en werd zodanig vereerd, dat het dorp tot 1640 zelfs een bedevaartsoord was, waar 'van alle gewesten de pilgrims aldaer bijeen kwamen’. Ten noorden van de kerk stond daarvoor een pelgrimshuis, dat in1676 door een nieuw gasthuis werd vervangen.

Klooster

De Mariakerk was eigendom van de Johannieter Commanderij (ridderlijk klooster) te Oosterwijtwerd. Deze was in eerste instantie een voorwerk (boerderij) van de Johannieter commanderij Dünebroek in Oost-Friesland, maar werd later zelfstandig. Het klooster werd in 1472 als zodanig vermeld, maar bestond waarschijnlijk al veel langer. Het bezat landerijen in Oosterwijtwerd, Wirdum, Eenum, een perceel hoogveen in Slochteren – waarvan de turf diende voor het verwarmen van de gebouwen – en 150 hectare land in Hoeksmeer.

Het klooster kon het hoofd echter niet boven water houden en werd armlastig. Het voegde zich in 1476 onder de vleugels van Oosterwierum, want het moederklooster weigerde het weer terug te nemen. In 1609 werden de kloosterbezittingen verbeurd verklaard door Stad en Lande en in bezit genomen door de protestanten.

Borg

Op de zuidoostelijke kant van de wierde stond tot 1745 het Huis te Oosterwijtwerd, een borg waarvan heel weinig bekend is. Genealogisch onderzoek doet vermoeden dat er al in 1300 een borg gestaan moet hebben, eigendom van Hailco van Witwert. Zijn achterkleindochter Hideca kreeg door vererving drie borgen in bezit, waaronder het Huis te Oosterwijtwerd. Haar man, de Oost-Friese hoofdeling Focco Ukena verbouwde het Huis waarschijnlijk, zodat het meer aanzien kreeg. Hun dochter trouwde in 1452 met Unico Ripperda, waarna de Ripperda’s, en na 1738 hun erfgenamen, borgheren waren. Gijsbert Herman Ripperda liet in 1676 de borg nogmaals verbouwen. Alleen van na die tijd is er een tekening bewaard gebleven, die nu in het koor van de kerk hangt.

De borg is verdwenen, maar de sporen van de Ripperda's zijn nog steeds ruimschoots aanwezig in de Mariakerk.

Het kerkgebouw is in 1997 buiten gebruik gesteld nu eigendom van Stichting Oude Groninger Kerken. De plaatselijke commissie verzorgt onder andere exposities, tentoonstellingen en concerten. Tevens is het een sfeervolle trouwlocatie. Zie voor meer informatie MariakerkOosterwijtwerd.nl