Levend erfgoed

1648-heden

350 jaar Groninger markt

De marktkramen in de Groninger binnenstad op dinsdag, vrijdag en zaterdag zijn zo'n vertrouwd gezicht, dat maar weinig mensen zich verwonderen over het feit dat deze daar al 350 jaar staan.

350 jaar Groninger markt

Marktkoopman in vogels, www.beeldbankgroningen.nl (818-23102)

Sporen van de Groninger markten

Voordat Groningen op zaterdag 16 januari 1666 de allereerste officieel geregelde weekmarkt hield, waren er natuurlijk al lang markten. Al in de twaalfde eeuw bestond er een Groningse graanmarkt en waarschijnlijk ook een paarden-, ossen- en houtmarkt. De weekmarkt was echter bedoeld voor burgers die hun boodschappen willen doen en niet voor gespecialiseerde handelaren.

Verschillende pleinen in Groningen herinneren nog aan gespecialiseerde markten, zoals de Ossenmarkt, Vismarkt en Rademarkt (waar wagens en karren gestald werden). De Grote Markt, waar de weekmarkten werden gehouden, heette eeuwenlang Brede Merct en was onderverdeeld in verschillende delen: de oostzijde stond bekend als de Korenriepe (riepe = stoep), de zuidzijde tussen Ooster- en Gelkingestraat was de Slagtersriepe en tussen de Gelkinge- en Heerestraat lag de Botermarkt.

Naast de weekmarkten kende Groningen in de middeleeuwen ook zes jaarmarkten, de belangrijkste gedurende drie weken in september. Alleen dan mochten vreemdelingen handel drijven in de stad. Op andere dagen was het recht op verkopen voorbehouden aan gildebroeders en ingezetenen.

Alleen voor Groningers

De stad Groningen was een machtige handelsstad, die strenge regels had opgesteld om haar positie te behouden en te versterken. Zo was het stapelrecht, wat handelaren verbood om grotere hoeveelheden te verhandelen zonder tussenkomst van de Stad, veel Ommelanders een doorn in het oog. Groningen had van allerhande waren, van stoffen tot runderen, precies vastgelegd hoeveel er 'vrij' verkocht mocht worden. De Stad verdiende zodoende een fortuin aan de tussenhandel. Tijdens de vrijmarkten waren de regels soepeler, maar echt vrij waren deze markten nooit.

Een bijzondere regel was de loting voor de jaarmarkten. De Vismarkt werd ingedeeld in verschillende 'roeven' of gebieden, waar groepen handelaren hun plaatsen onderling via loting konden verdelen. De burgerroef, voor ingezetenen, had de beste plaatsen. De 'vreemde' roef kwam daarna en de joodse kooplieden, die behoorlijk gediscrimineerd werden, moesten hun genoegen nemen met een roef aan de 'stille kant' van de Vismarkt. Protesteren tegen de loting of de indeling was eeuwenlang zinloos. Pas toen de Franse Revolutie in 1795 met 'vrijheid, gelijkheid, broederschap' de Stad bereikte, werden alle privileges verleden tijd.

Waren en handelaren

Wie een weekmarkt uit het begin van de twintigste eeuw zou kunnen bezoeken, zou verbaasd opkijken van de verschillen met onze huidige markten. Weliswaar waren er kramen met groente, fruit, vis, vlees en brood, maar daarnaast werd werkelijk alles verkocht wat geld op kon leveren. Potten en pannen, zangvogeltjes, lompen, meubels, nieuwe en tweedehandse vloerkleden, oud ijzer en koper, gedragen kleding, sigaretten en porselein vormen maar een greep uit het overweldigende aanbod.

Veel marktkooplui verkochten slechts één soort product vanaf hun handkar. Kramen met een veelheid aan groente en fruit zoals wij die kennen, bestonden nog niet. De Ommelander boeren verkochten vaak alléén appels en peren, of alléén kolen, net wat in het seizoen was.

Verschillende marktkooplui bouwden een echte reputatie op. Een bekende naam uit de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw was bijvoorbeeld Gradus Jullens. Elke marktdag vertrok hij om vijf uur 's ochtends vanuit zijn woonplaats Leek. Vanaf acht uur verkocht hij, op zijn vaste plekje aan de noordzijde van de Grote Markt, zangvogeltjes: “Mooie vinkjes en sijsies meneer, Ken je plezaier van beleven. As ie nog ais mismoudig bennen, zingen zai de crisis rojoal tou 't hoes oet...!”