Levend erfgoed , Borgen: kastelen van het hoge noorden

Börgbloumkes als voorjaarsboden

Sneeuwklokjes op het Groninger land kondigen het nieuwe groeiseizoen aan. Zij vormen een wit tapijt in de tuinen van borgen, oude boerderijen en een enkele pastorie. Voor die tuinen rijd je in het voorjaar graag een eindje om.

Börgbloumkes als voorjaarsboden
De winterakoniet (Eranthis hyemalis), een van de bekende stinzenplanten of börgbloumkes. - Foto: Stanze via Flickr

Sneeuwklokjes en andere vroegbloeiende bollen en wortelplanten hebben zich in de loop der eeuwen vooral op historische grond kunnen uitzaaien en vermeerderen, wat ze de naam Stinzenplanten heeft opgeleverd. Deze naam is afkomstig van het Friese woord ‘stins’ ofwel steenhuis. De steenhuizen waren in de Middeleeuwen de eerste stenen bouwwerken waar de adel zich veilig met zijn gevolg kon terugtrekken voor vijandelijke buren of hoge waterstanden. Groningers voelden zich geborgen in hun steenhuis, vandaar dat de steenhuizen hier borgen heten en onze voorjaarsbloeiers in het Gronings ‘Börgbloumkes’ genoemd worden.

'Dik doun'

De steenhuizen werden geleidelijk uitgebouwd tot grote boerderijen en borgen waar de, veelal adellijke, bewoners graag hun welvaart wilden tonen. Stinzenplanten of Börgbloumkes komen hier niet van nature voor. Zij zijn vanaf de 17e eeuw geïmporteerd vanuit zuidelijke streken en uit Klein-Azië en Turkije. Vooral bolgewassen waren gemakkelijk te transporteren en in leven te houden op de, in die tijd nog, lange reis. Maar aan die reis zat natuurlijk wel een prijskaartje, dus was de aanschaf niet voor iedereen weggelegd.

De stinzenplanten werden voornamelijk vanaf de tweede helft van de 18e eeuw als sierplant aangeplant, toen men afstapte van de strakke symmetrische Franse tuinen en overging op de wat natuurlijker Engelse landschapsstijl. Deze zogenaamde ‘slingertuinen’ kenmerken zich door hoogteverschillen, waterpartijen en paden die zich tussen de aanplant door slingeren. De stinzenplanten voelden zich thuis in deze tuinen en de bewoners breidden in de loop der eeuwen hun assortiment geleidelijk uit. Doordat de Engelse tuinen een natuurlijk karakter hadden en de ‘wilde natuur’ moesten nabootsen, kregen de planten de kans om te verwilderen en zich te verspreiden, waardoor prachtige bloemtapijten ontstonden. In de loop van het voorjaar kleuren deze tuinen afwisselend wit, geel of blauw.

Lidertjes

Sneeuwklokjes vormen, na de minder bekende helleborus, de eerste tekenen dat de donkere dagen voorbij zijn en de winter zal wijken voor licht, groei en bloei. In januari kunnen we ze de grond wel uit kijken! De oude Groningse benaming ‘Lidertjes’ zegt het al: door het luiden van deze klokjes worden de andere planten uit hun winterslaap gewekt (lieden is luiden), De meer algemene naam ‘Noakende Wiefkes’ klinkt wel erg koud, maar past wel bij het beeld van de zo uit de sneeuw omhoogkomende sprieten.

De knalgele winterakonieten die, soms zelfs eerder, bloeiend de grond uitkomen, krokussen, scilla’s, blauwe druifjes, narcissen, maartse viooltjes, primula’s en nog veel meer soorten behoren tot de stinzenplanten. Maar dan wel in hun oorspronkelijke kleur en vorm, want veel van deze welkome lenteboden zijn doorgekweekt en veredeld in allerlei kleuren te vinden.

Niet alleen hoge heren, maar ook dominees konden zich soms mooie tuinen veroorloven. In ieder geval de dominee van Pieterburen. Hij legde naast de gebruikelijke moestuin ook een slingertuin aan, die nog steeds aangevuld en onderhouden wordt. Botanische tuin ‘Domies Toen’, bij de kerk in Pieterburen, bezit een grote collectie stinzenplanten die, tegen een kleine bijdrage in de kosten, te bezichtigen is.

Krokussen (Crocus spp.) in Domies Toen, Pieterburen. - Foto: Domies Toen
Krokussen (Crocus spp.) in Domies Toen, Pieterburen. - Foto: Domies Toen