Bewoning in het mesolithicum (8800–5000 v. Chr.): een reconstructie

Bewoning van het veenkoloniaal gebied gaat terug tot ver voor de jaartelling. Na de laatste ijstijd (110.000 – 11.500 v.Chr.) is het nog lange tijd te koud voor bewoning. Maar de temperaturen stijgen en het klimaat wordt gunstiger. Er ontstaat meer vegetatie en water blijft staan, wat wild aantrekt. Een aantrekkelijke omgeving om voedsel te vinden en te jagen. Rond 8800 v.Chr. trekken jagers-verzamelaars het veenkoloniaal gebied in om hier te leven.

Bewoning in het mesolithicum (8800–5000 v. Chr.): een reconstructie

Het hoogtepunt van de bewoning in de Veenkoloniën is tussen 7600 tot 6500 v.Chr. Mensen trekken rond en slaan hun kampen op in het gebied dat wij vandaag de dag kennen als de Groninger veenkoloniën. Omdat ze geen dieren houden of planten verbouwen, zijn ze afhankelijk van wat er groeit en leeft in de omgeving. Hutten of tenten plaatsen ze in de buurt van kleine riviertjes of stroompjes, zoals de Hunze.

Het landschap is afwisselend in die tijd, parkachtig, met open plekken en water waar veel op zoogdieren op gejaagd kan worden. Ook voedsel zoals eetbare planten, wortels en vruchten zoals hazelnoten is hier in overvloed. In de moerasgebieden wordt gevist en ook wordt hier gejaagd op de vele watervogels die zich hier ophouden.

Vooruitblik

Vanaf 6000 v.Chr. blijven de jagers-verzamelaars weg. Het bos groeit dichter, de open wateren verdwijnen en daarmee is het wild waarop zij eerder jaagden afgenomen in aantallen. Enkele duizenden jaren lang is er geen bewoning in het gebied. Het duurt nog duizenden jaren voordat de grote veengroei begint. Door het warmere klimaat en een stijgende waterspiegel ontstaat een metersdikke laag veen in het gebied, boven op de grond waar eerder de bewoners in het mesolithicum leefden, jaagden en kookten. Onder het veen blijven veel sporen van de mesolitische bewoning bewaard.

Wanneer de wildstand slinkt, trekken bewoners naar nieuwe gebieden. Sommige bewoners trekken naar de kust. De kustlijn ligt in het mesolithicum een stuk verder weg dan tegenwoordig, dus het is een lange tocht. Daarentegen is de kust een goede bron voor schelpdieren en voedsel zoals de strandbiet.

Om te kunnen jagen en kamp op te slaan, maken de mensen in het mesolithicum gereedschappen uit vuursteen en botten van dieren. Met vuursteen bijvoorbeeld maken zij pijlpunten, schrabbers, boren, bijlen en andere gereedschappen. Naarmate de fauna verandert, passen de jagers zich aan en maken nieuwe soorten gebruiksvoorwerpen. Zelfs naalden worden gemaakt uit botten en botsplinters.

Na het ontstaan van de Groninger veenkoloniën - als eerste gesticht in de Pekela’s - wordt turf door heel Nederland verspreid als brandstof voor industrie en huishouden. Duizenden jaren na het wegtrekken van de bewoners in het gebied komt door het afgraven van de veengronden de mesolitische bewoningslaag aan het oppervlak. Slechts enkele tientallen centimeters onder onze voeten vinden we de gereedschappen en haardkuilen van jagers en verzamelaars uit het mesolithicum.

Dit verhaal is opgetekend uit gesprekken met de Werkgroep Prehistorie Veenkoloniaal Museum Veendam. Gebruikt naslagwerk: H.A. Groenendijk, 1997, Op zoek naar de horizon: Het landschap van Oost-Groningen en zijn bewoners tussen 8000 voor Chr. en 1000 na Chr.