Verhalen uit de regio

1648-1815

Bernhardus Bruins van Lutjegast, een vroege en felle Patriot

In de jaren ’80 van de 18de eeuw waren er in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden felle tegenstellingen tussen patriotten en prinsgezinden. De vooruitstrevende patriotten wilden het in hun ogen falende landsbestuur onder stadhouder prins Willem V van Oranje Nassau beëindigen en vervangen door een meer democratische bestuursvorm.

Bernhardus Bruins van Lutjegast, een vroege en felle Patriot

Gezicht op Lutjegast, aquarel door B. Bueninck in 1908, naar een oudere tekening van omstreeks 1860. – Collectie Groninger Archieven

Als felle patriot werd ds. Bernhardus Bruins van Lutjegast ook wel een ‘heethoofd’ genoemd. Hij werd op 6 februari 1729 in de stad Groningen gedoopt als ‘Berent’, zoon van Jan en Ellegijn Jans. Hij startte zijn domineesloopbaan in juni 1760 in de gemeente Hoogkerk-Leegkerk. Diezelfde maand huwde hij Anna Catherina, de in 1725 geboren predikantsdochter van Albertus Haselhoff te Ruinen. Op 21 mei 1775 werd Bernhardus predikant te Lutjegast.

Het Westerkwartier kende eind 18de eeuw ook tegenstellingen tussen patriotten en prinsgezinden. Ongeveer driekwart van de predikanten in dit deel van de provincie was patriot, aangesteld door vrijzinnige landeigenaren, die het benoemingsrecht bezaten. Het merendeel van de bevolking was echter ‘bevindelijk’; meer orthodox-protestants, en aanhanger van stadhouder Willem V.

'Moordbeul'

Ds. Bruins gaf ongezouten zijn politieke mening. Hij verklaarde mei 1787 publiekelijk ‘dat den Prins Willem de Vijfde een schelm, hoerenjager en wijnzuiper was; dat zijne aanhang ook diergelijk zoort van menschen waren en als de Prins meester wierde, dan zoude het op zijn best zijn dat de boer eene linnen kijl (=kiel) behield’. Verder zei hij ‘(…) dat de Prins een moordbeul was, erger als Duc d’Alva en de duivel uit de hel’.

Vanaf de preekstoel verkondigde hij:

'...dat wij het God te danken hadden, dat wij nog niet in handen van de vervloekte Orange cabaal vervallen waren en dat wij het ook Willem de Vijfde niet te danken hadden, dat wij nog in die staat waren, daar wij ons in bevonden, dat wanneer Dezelve zijn wil hadde gekreegen wij reeds lang zouden zijn vernietigd of in slavernij gebragt; dat het meer dan tijd was om (…) Willem de Vijfde en zijn aanhangers, dat helsch gespuis, dat vloek gespan (…) uit te roejen: dat men als een eenig man daartoe de wapenen in de hand moeste neemen: dat de Patriotten de ware Partij waren, dat door dezelve het Land, hetwelk zig in zulke kommerlijke omstandigheden bevondt, moeste behouden worden.’

Daarbij sloeg hij zich op de borst en riep met stemverheffing:

‘Ook ik ben een patriot!’

Op de vlucht

De leden van de kerkgemeente en de borgheer van Rikkerda, Edzard Unico de Hertoghe, vonden zijn optreden zeer ongepast en bleven uit de kerk. Na het neerslaan van het Patriottenoproer kwam de zaak voor het toenmalige gerecht van de grietenij Westerdeel-Langewold. Bruins voelde onraad en verliet op een nacht stilletjes de pastorie, zijn vrouw en dochter achterlatend. Zij zorgden er voor dat er de zondagsdiensten werden voortgezet.

Na zeven weken keerde Bruins terug. Het gerecht had hem gewaarschuwd niet weer de kansel te beklimmen, maar de eerste zondag na zijn terugkeer preekte hij zowel ’s ochtends als ’s middags, zij het voor weinig toehoorders. Daarop besloot justitie hem gevangen te nemen, maar Bruins vluchtte opnieuw. In mei 1788 werd hij bij verstek veroordeeld met eeuwige verbanning uit het gewest Stad en Lande. Het jaar daarop werd hij afgezet als predikant ‘wegens zijn doldriftig bestaan en onbuigzaam hoofd’.

Terugkeer

Toen in 1795 de Fransen de Republiek hadden veroverd, keerden de patriotten terug met in hun voetsporen ds. Bruins. Hij kreeg eerherstel. Zijn politieke vrienden verwelkomden hem met open armen. Voor hem was het echter niet alleen een triomfantelijke terugkeer, want zijn echtgenote overleed in april van dat jaar in het Drentse Schipborg.

Bruins begon daarna een politieke loopbaan bij het landsbestuur van de ‘Bataafse Republiek’. Inmiddels was januari 1798 een staatsgreep gepleegd door de ‘Unitariërs’, die geen republiek met gewesten (provincies) wilden, maar een eenheidsstaat. Bruins was vanaf oktober 1797 lid van de ‘Commissie van Binnenlandse Correspondentie’ voor de ‘Tweede Nationale Vergadering’ en vanaf januari 1798 lid van de ‘Commissie van binnenlandse zaken’. In mei en juni van dat jaar was hij lid van de Tweede Kamer van het ‘Vertegenwoordigend Lichaam’ en in juni en juli lid van het ‘Intermediair Wetgevend Lichaam’. Dit was onder het ‘Intermediair (=voorlopig) Uitvoerend Bewind’, ter voorbereiding van de vestiging van het ‘Uitvoerend Bewind’, het landsbestuur dat regeerde van 14 augustus 1798 tot oktober 1801.

In die periode verdween Bruins uit beeld; hij was inmiddels rond de 70. Op 23 september 1810 overleed hij in zijn geboorteplaats Groningen.

 

Bronnen:
Groninger Archieven, Toeg. 623, inv. nr. 409
Parlement.com

<p>Gezicht op Lutjegast, aquarel door B. Bueninck in 1908, naar een oudere tekening van omstreeks 1860. &ndash; Collectie Groninger Archieven</p>

Gezicht op Lutjegast, aquarel door B. Bueninck in 1908, naar een oudere tekening van omstreeks 1860. – Collectie Groninger Archieven