Van Adorp tot Zuurdijk , Oorlog in Stad en Ommeland

1914-1945

Bakkersgezel in oorlogstijd

In 1942, toen Dolf veertien jaar was, zei bakkerspatroon Beersma uit Uithuizen tegen zijn ouders: ‘Ik heb een knecht nodig en dacht aan jullie zoon. Tien gulden in de week en met de volle kost toe, is het loon.’ Dolf wilde eigenlijk naar de MULO. Doordat zijn ouders op hem inpraatten en omdat hij wist dat een eter hen minder goed van pas kwam, nam hij het aanbod toch aan.

Vanaf dat moment begon de dag voor hem om 05:00 uur. Om 18.00 uur liep zijn dag ten einde. In het weekend draaide hij langere dagen en met de feestdagen werkte hij zelfs van vrijdag 17.00 uur tot zaterdag 19.00 uur. Sport en spel kwamen niet aan de orde.

Het was zwaar werk. Hij droeg zakken bloem van vijftig kilo naar, en van de zolder. Ook moest hij turf en takkenbossen halen om de oven mee te stoken. Verder moest hij zorgdragen voor het water, benodigd voor het zetten van de degen, de broodblikken invetten en de bakkerij schoonhouden. Hij was een manusje van alles.

Tante

Het gezin van de bakker in Uithuizen bestond, naast de bakker zelf, uit zijn vrouw, vijf kinderen en een ongehuwde tante. Tante leidde het gezin. Nadat ze drie uur hadden gewerkt, bracht zij de mannen om 8.00 uur het ontbijt in de bakkerij. Tijdens het werk werd er gegeten.

Tante bracht ook het vers gebakken brood naar de winkel, vulde twee tassen en hing ze aan het stuur van haar fiets. Dolf vulde de mand voor op de transportfiets. Om 10.00 uur gingen tante en Dolf op pad om het brood te venten. De klanten woonden ver uit elkaar. Bovendien was er veel concurrentie: in het dorp waren maar liefst vijftien bakkerijen. Daar kwam nog bij dat de klanten het brood bij de bakker van de eigen kerk kochten. Als de klanten tegen 12.00 uur van brood voorzien waren, wachtte de bakkergezellen een warme maaltijd.

Op broeiende plaatsen, vooral om de oven, kwamen in oude bakkerijen imekes, een soort piepende krekels, voor. Zij kwamen uit het zand dat voor isolatie aan de oven was aangebracht. Het kwam wel eens voor dat wanneer de pan met soep op tafel kwam, de imekes er op dreven.

Ontberingen

Driemaal in de week in de namiddag, moest Dolf de Lauwerpolder in. Tassen vol brood kwamen aan het stuur van de oude transportfiets waaraan altijd iets haperde. De ketting liep er af, de trapper draaide door en de fiets had vaak een lekke band. Dolf bezorgde eerst bij de boerderijen en ging dan naar de landarbeidershuisjes aan de Middendijk. Hij moest 28 zware hekken open en dicht maken. Daarbij moest hij erg oppassen; het vee wat er liep mocht niet op drift raken. De armoede in deze huisjes was groot. Kindertjes waren vaak maar half gekleed en liepen op blote voetjes. De mensen die hier woonden konden alleen oud, afgeprijsd brood betalen. Dolf had zes klanten in de Lauwerpolder, verkocht slechts twaalf broden, maar was er wel tweeënhalf uur voor onderweg.

De kleding van Dolf was niet op slecht weer berekend. Met goed weer genoot hij in de uitgestrekte polder van vele vogels en de vruchtbare akkers. Bij strenge vorst en sneeuw kwam hij soms in de problemen. Zo raakte hij eens met de transportfiets van de weg en zakte door het ijs van de bevroren sloot. Door enkele passerende boerenarbeiders is hij er toen uit geholpen.

Motblik

Dolf maakte van alles mee als bakkergezel. Een keer lag er bij het achterhuis, in de schuur van de grote boerderij, een briefje. ‘Een half roggebrood’, stond er op. Dolf had alleen een heel roggebrood en was het mes vergeten. Wat moest hij nu doen? Terug naar het dorp? Zijn ogen gingen door de grote schuur. Het motblik bij de deur bood uitkomst.

Dolf ontving niet iedere zaterdag zijn loon. Hij durfde er ook niet om te vragen. Vader maakte zich er kwaad over. Op een zondagmorgen moest hij om zijn loon gaan vragen. De patroon werd toen erg boos en smeet het voor zijn voeten.

Oorlog

De oorlog duurde voort en door gebrek aan bloem werden er gemalen groene erwten aan de bloem toe gevoegd. ‘Het regeringsbrood’ was plat en klef. Turf en hout waren niet meer te bemachtigen daarom stookte men de oven met stro. Deze balen wogen wel tachtig kilo. Dolf ging er prat op dat hij ze kon tillen. Boeren hielden van de oogst wel tarwe achter. Zij lieten het door de molenaar malen. Op rantsoenbonnen kon men nog wel eens suiker bemachtigen. Je moest er wel voor in de rij staan. Bloem, suiker en boter bracht men (meestal boeren) naar de bakker om er met de feestdagen koekjes van te bakken.

De oorlog maakte grote indruk op Dolf. In 1943 zag Dolf vrouw Knorringa, die met haar kinderen Max en Tineke tegenover de bakker woonde, bepakt en bezakt met hun valiesjes het huis uitkomen. Zij hadden een oproep ontvangen om zich in het werkkamp ‘Westerbork’ te melden. Door de hele buurt werden ze uitgezwaaid. ‘We komen gauw weer’, zei mevrouw Knorringa. Ze zijn niet weer gekomen.

In 1945 werd de Bakkerij gevorderd door de Duitse Wehrmacht. In de MULO school werden vijfhonderd soldaten ondergebracht. Voor hen moest er Kuchen gebakken worden. De grondstoffen daarvoor werden door de Wehrmacht geleverd.

Bevrijding

Na de bevrijding ging Dolf na werktijd in Groningen het middenstand diploma halen. In 1948 kreeg hij een oproep voor de dienstplicht en in januari 1949 vertrok hij naar Indië onder het motto: ‘voor vrede en veiligheid’. In 1950 keerde hij weer terug naar Groningen. Zijn oude patroon moest hem weer in dienst nemen. Het bekrompen leven in het dorp benauwde hem. Hij verhuisde daarom naar elders en behaalde na werktijd het vakdiploma bakker.