1989-heden

Marjoleine de Vos: aandachtig kijken (dan komt de liefde vanzelf)

Je weet best hoe je naar de wereld zou moeten kijken. Met aandacht. 
In de zekerheid dat er iets te zien is als je maar goed kijkt.

Marjoleine de Vos: aandachtig kijken (dan komt de liefde vanzelf)

Dat zou je moeten doen ja, maar het is zo gemakkelijk om de blik onverschillig langs de wereld en haar stoffering te laten glijden, zeker als je een en ander dagelijks ziet. Maar ook, of  juist, als je het niet kent. Dan is vluchtige inspectie voldoende voor een oordeel dat meer aandacht overbodig maakt.

Zo keek ik, als niet-Groninger, naar Groningen. Ik had het binnen de kortste keren  al gezien. Er was namelijk niets te zien. Vlak land, een paar bomen. Kerkje, niks bijzonders. Wat grasland, licht bollend. Bakstenen muur, de zoveelste.

Het is niet eens gemakzucht die iemand zo doet kijken. Het is onmacht, onwetendheid, onvermogen. Wie kan de hele dag met volle aandacht leven? Je zou er gek van worden, het is nodig om soms wat langs je heen te laten glijden. En dat er altijd iets te zien is als je maar goed kijkt, dat is een geloof dat we niet allemaal hebben en dat bovendien vaak op de proef wordt gesteld.

Ga je weer eens met open blik de wereld in, zie je weer eens niets.

Terwijl je er klaar voor was hoor, echt waar, klaar om enorm te genieten, om iets te ondergaan van het landschap of van de natuur – want dat zijn echt verschillende dingen – om die een overweldigende indruk op je te laten maken. Maar er gebeurt niets. Nu ja, niets, niets: weinig.

Waar ligt dat nu aan. Aan jezelf, natuurlijk, maar dan zijn we meteen klaar. Niet alléén aan jezelf. Sommige landschappen doen dingen voor je. Die zijn aardig. Die maken je open en nemen je mee, die laten je voelen: ik ben een landschap en jij hoort in mij.

Landschap is wat anders dan natuur. Bij natuur denk je aan bossen en meren. En al zijn die in Nederland strikt genomen ook ‘landschappen’, cultuurland, door de mens gemaakt, toch voelen we bossen en meren als natuur. Akkerland, weilanden, dat is geen natuur, dat is ‘buiten’. Je weet niet goed wat je ermee moet als je uit de stad komt en van plan bent eens even wat ‘natuur’ op te snuiven. Dus je trekt niet een twee drie naar Groningen. Daar is namelijk geen natuur. Dat weet iedereen.

Nu ja, bijna niet. Soms grenst het landschap wel aan de natuur. Dus je kunt wel eens aan de Groningse waddendijk verdwaald raken en naar de natuur van het wad kijken.  Onder je de dijk, achter je het ingepolderde land, in de verte een eiland, als je goed kijkt zie je de vuurtoren, en voor je die waterwereld met schelpengeur en vogelgekrijs. Dan wordt aandachtig kijken al een heel stuk gemakkelijker.

Maar de vraag was: wat maakt dat je kijkt, waarom doen sommige landschappen van alles voor je, en andere zo weinig? En meer in het bijzonder: waarom heb ik zoveel jaren niets weten te zien in het noorden van ons land, door westerlingen onveranderlijk aangeduid als ‘het hoge noorden’ maar die zouden eens een beetje op de wereldkaart moeten kijken, konden ze eens zien wat ‘noordelijk’ betekent.

Waarom zag ik alleen maar duffe weilanden, vlak land, saaie wegen waar je nu eenmaal over moest als je naar Schiermonnikoog ging? Voor de tweede maal moet ik zeggen: dat lag aan mezelf.

Behalve dat men tekort kan schieten in aandacht, kan men ook heel gemakkelijk tekort schieten in kennis. Als je van niets weet, fiets je langs een berm, en alles wat je kunt denken is: ‘bloemen’. Rode bloemen. Gele bloemen. Witte bloemen. Kleine bloemen.

De immense opluchting als je eens een paar dingen leert en dan wat ziet dat je kunt benoemen: fluitenkruid, pastinaak, wilgenroosje, smeerwortel. Er is ontzaglijk veel meer te zien als je iets weet. Dat is altijd zo, en overal, of het nu om eeuwenoude resten op een Grieks opgravingsterrein gaat of  om vogels in een weiland: wie weet, ziet meer.

Wil je wat zien, moet je dus om te beginnen vertrouwd raken met het landschap, zodat je kleine verschuivingen opmerkt, oneffenheden, eigenaardigheden, littekens.

Als je eenmaal weet dat de zee in vroeger eeuwen voortdurend dit land binnendrong, dat heuvels opwerpen de enige manier was om te overleven, dat het water in rare kronkels het land in liep en dat er steeds weer nieuwe dijken achter dijken zijn aangelegd om de bewoners te beschermen, dan begin je meer te zien. Het verschil tussen oud land en nieuwe polder. Kleine verhogingen die, dus, ooit bewoond moeten zijn geweest. Kronkelige wegen door land dat nergens een obstakel vertoont voor een gewone rechte weg. Flauwekul denk je eerst, maar je leert weten: het is een oude weg die ooit een priel of een diepje volgde.

En dan moet je nog echt leren kijken, de schoonheid in de gaten krijgen van wat je ziet. Een schoonheid die verslavend is en maakt dat je zín hebt om te kijken, niet uit plicht, omdat iemand tegen je heeft gezegd dat het noorden zo’n oud cultuurlandschap is, maar uit verlangen.

Beweging van wind. Licht op verschillende uren van de dag. Verleden, dat soms ineens opmerkelijk duidelijk dwars door het heden heen steekt. Tegenstellingen, tussen zeer jong ontluikend groen en eeuwenoude muren, tussen plat en ietsje minder plat.

Voordat je zin hebt om zo te kijken, voordat je zin hebt om te weten, voor je zin hebt om de woorden ‘wierde’, ‘maar’ en ‘priel’ te leren, daarvóór moet er iets anders gebeuren. Daarvoor moet je, desnoods maar even, betoverd worden. Aangeraakt. Verliefd.

Nu heeft het noorden van zichzelf, het spijt me dat ik het moet zeggen, niet meteen iets hartveroverends.

De duinen bijvoorbeeld wel. Met hun golvingen, met hun duindoorns, met het prille groen in het voorjaar, de koekoek in een hoge den, de zilte zeelucht vermengd met warm zand: ,,eenvoudig, de duinen, eenvoudig” dichtte de dichter Chr. J. van Geel.

En dan heb je de rivieren, en de stem van de dichteres Ida Gerhardt die daar meteen bij in je hoofd klinkt, die woorden gebruikt als ‘bazalten krib’ en ,,licht waarbij geen licht ter wereld haalt” en je denkt aan de lieflijke Lingedijk met zijn bloesems, aan de brede uiterwaarden, aan de steenfabriekjes langs de traag kronkelende stroom – ja de rivieren.

En de bossen en heidevelden, de konijnen, vossen, herten die je er ziet, de geur van warme hei (,,Ik lag met moeder in de warme hei,/ ik droeg nog kleine kleren” mompelt Martinus Nijhoff) en warme dennennaalden in de zomer, de winterse vennen, een beukenbos in de lente met dat tere groen, gezien in banen binnenvallend zonlicht – ach.

Maar dan het noorden. Daar heb je niets. Dat had ik immers al gezien.

Zo was de stand van zaken wat mij betreft een jaar of vijftien geleden. Ik liet Groningen met rust, zoals bijna alle Nederlanders dat deden en meestal nog doen tenzij er een kolencentrale gebouwd moet worden.

Toen schreef, in 1996,  C.O. Jellema een gedicht. Het heette ‘Kerkje van Fransum’. Het gaat over een niet meer in gebruik zijnde kerk op een wierde en Jellema praat in zijn gedicht tegen die kerk en vraagt of god nog bestaat en die kerk zegt gewoon niks terug en dat vindt Jellema goed, want hij zit daar heerlijk, ‘grutto’s in juni, het loeiend melkvee bij ’t hek’.

Prachtig gedicht. Meteen naar Jellema toegereisd om hem even álles over dat gedicht te vragen. Ging hij meer vertellen. Hij gebruikte het woord ‘wierde’. Hij vertelde over Sint Walfriedus die de dijken aangelegd zou hebben in het noorden, omdat alleen een heilige een dergelijke ingreep in het landschap mocht doen. Hij wees naar het landschap en belichaamde liefde ervoor.

Even begreep ik hem. Toen reisde ik snel terug naar Amsterdam.

Een volgende keer was het de schrijver Gerrit Krol. Die zou eens wat kerken laten zien. Oude kerken. Romaanse kerken. In Groningen. We reden langs enorme kleischollen en gaven opgewonden gilletjes: hoe enorm, hoe glimmend, hoe grijs. We zagen bakstenen muren, die van binnen bepleisterd waren en daarna weer beschilderd waren met baksteen-patroon. Rare jongens die Groningers. We stonden paf van hoe oud die kerken waren en even stak de heiligschennende gedachte de kop op: zulke oude kerken hebben wij helemaal niet in Amsterdam. Alleen de Oude Kerk, maar die is jonger dan menige kerk hier.

Krol schreef ook: ,,Spiegels aan de hemel. Dat je aan de lucht de kleur van de zee kunt zien.”

Ja, heel mooi. Nu gauw weer terug naar Amsterdam en dromen van een huisje in Limburg.

Weer een andere keer waren we bij vrienden in Glimmen en bekenden we ze opgewonden dat we in Drenthe wilden wonen. Oh leuk zeiden ze. Wij weten toevallig een huis te koop. In Groningen. En hup daar suisden we met de auto dat grote wijde land in, een wintermiddag, grijszilveren wolken, blinkend het Reitdiep en we stopten in Schouwerzijl. Het huis was gelukkig niet wat we zochten, het stond niet vrij, goddank, want het is wel mooi maar wat moet je er in de winter, en hup, terug naar Amsterdam.

Toch is het gebeurd. Die tochtjes lieten sporen na. En natuurlijk heeft, zoals gebruikelijk, de kunst een handje geholpen. Ede Staal met zijn ‘hoge laand’- ,,het is de lucht achter Oethoezen, het is het torentje van Spiek, het is de weg van Lains naor Klooster” en dan die stem. Je zit in de auto op weg naar Pieterburen of naar Leens, je ziet de pastorie van Westernieland in zijn bocht onder zijn bomen, de lege wierde van Maarhuizen, de glooiing bij Verhildersum, hoe Rottum vriendelijk oprijst, je verbaast je over de enorme dubbele schuren met hun grote deuren en over de zo adembenemend zuiver blauwe lucht in de verte boven de waddendijk  en je voelt je zelf dieper ademhalen en een tinteling gaat door je heen en je zingt brutaal, want het slaat nergens op voor een Amsterdammer: ,,dat is mien laand, mien hoge laand”.

En dan kom je naast een schilder te wonen die met zijn schilderijen en zijn blik aan één stuk door laat zien dat het steeds weer anders is, dat land daar, dat licht, dat riet langs de sloten, die luchten boven de boerderijen, die bomen in de wind, die kleischollen in de regen, de warmgele zomer, het groene voorjaar, de grijsbruine winter en je wilt zijn ogen hebben en anders toch in ieder geval zijn schilderijen.

Zo leer  je kijken. En van kijken liefhebben.

En dan vult zich dat enorme lege ‘niets’ waarvan je zo zeker wist dat dát het noorden was, met geschiedenis en betekenis. Dan is het niet meer ‘ver weg’ alsof het buiten de wereld staat, dan wordt het noorden de wereld zelf. Omdat je van dichterbij kijkt.

Van heel dichtbij soms. Je laat je vrienden een stukje van Groningen zien, Tinallinge zeg je, kennen jullie dat? Dat is een mooi onbedorven dorp. We rijden er heen.

Hé er lijkt licht te branden in de kerk, misschien is-ie open, zeggen we tegen elkaar. We zetten de auto aan de kant en stappen uit. Meteen verschijnt er een meneer die vraagt of we de kerk soms willen zien.

Wat graag, zeggen we. En hoe oud is die kerk eigenlijk?

Uit de dertiende eeuw, zegt de man.

Veel aan veranderd zeker, hij was zeker kleiner?

Nee, zegt de man. Zo was-ie.

De kerk van Tinallinge is een mooie fiere kerk midden op de wierde waarop ook het dorp gebouwd is. Hij is zoals menige kerk in Groningen: vanbuiten opgetrokken uit kloostermoppen, van binnen bepleisterd. We gingen binnen. Hier en daar waren op de muren nog middeleeuwse schilderingen te zien, de zestiende-eeuwse houten preekstoel was mooi gerestaureerd, waar de meneer ons op wees.

Mooi, zeiden wij, dank u wel.

Ik wil nog iets bijzonders laten zien, zei de meneer.

Hij nam ons mee naar een soort consistoriekamer met een houten kastenwand. Hij deed de kastdeuren open. Daarachter was het stuc van de kerkmuur weer zichtbaar.

Op de muur waren tekeningen te zien in een bruinig krijt. Een soort slot, een geweer, soldaten.

Dit zijn tekeningen, zei de man, gemaakt door soldaten die ergens gedurende de tachtigjarige oorlog in deze kerk hebben gezeten.

Tijdens de tachtigjarige oorlog. Ineens, hoe vreemd is dit, voel je dan de tijd. Die hele kerk was eeuwen oud, het houtwerk, de muurschilderingen, allemaal van eeuwen geleden. Maar pas nu, oog in oog met de onbeholpen tekeningen die soldaten – echte mensen! – daar op de muren hadden gemaakt, voelden we wérkelijk hoe veel tijd deze kerk doorstaan had.

Zo gaat het wel vaker. De mededeling: dit is eeuwen oud, neem je voor kennisgeving aan. Het is dus eeuwen oud. Maar je voelt dat niet. Pas als er iets concreets bij komt, een tekening gemaakt door een soldaat uit de tachtigjarige oorlog - die oorlog heeft dus écht plaatsgevonden! - pas dan ga je het geloven.

En ook komt erbij: het onbeholpene lijkt echter dan het volmaakte. Niet dat de middeleeuwse wandschilderingen in de kerk volmaakt waren. Maar ze waren gemaakt als kunst. De knullige tekeningen van de soldaten waren gemaakt ten behoeve van de soldaten zelf. Zomaar.

Zo toont zich dan de tijd: in iets concreets en onhandigs.

En dan was er een keer de langste nacht. We zaten in een tuin in Leens, achter een groot huis met diepe tuin. We gedachten een vriend, maar we gedachten ook dat we bestonden, met elkaar, we vierden het leven, de zomer, de vriendschap, het land. We praatten en aten, zo gaat dat, en het was donker geworden en toen kwam er iemand om het huis gelopen en die zei: moet je eens aan de voorkant komen kijken.

Dat deden we. Boven Leens stond de maan aan de donkere hemel. En aan de andere kant, vrijwel in het noorden gloeide de hemel nog van de zon die geen zin had om te verdwijnen in deze nacht. En een uur later reed ik naar huis, en daar stapte ik uit en de nachtlucht lonkte dus ik wandelde over de weg naar het hooggelegen dorpskerkhof. De bomen stil om de graven, de toren wees naar de hemel, in de verte, naar het noorden, gloeide nog altijd het licht.

Dankbaarheid, is dat het woord?

Verrukking? Overgave? Ze klinken allemaal een maatje te groot en te wild, voor het gevoel eindelijk thuis te zijn, op je plaats in de nacht, in de tijd, in de wereld. Woordeloos.

Al klonk toch nog even Gorters stem: ,,Ik wilde u zeggen een zo lief wat – maar ik weet niet wat.”

Foto: Hindrik Sijens via Flickr
Foto: Hindrik Sijens via Flickr